Het aantal Torenvalken in Zeeland neemt de laatste jaren af (Figuur 20, Bijlage 1 en Bijlage 2). Het aantal broedparen wordt geschat op 330-460.

Figuur 20. Aantal nesten, broedparen en aantalsschatting van de Torenvalk in Zeeland in de periode 1995-2016.

 

De start van de eileg week in beide jaren maar weinig af van het gemiddelde. In 2015 begonnen ze gemiddeld op 24 april (SD=10,3, N=72) en in 2016 op 27 april (SD=12,3, N=65). Dat is respectievelijk twee dagen vroeger en één dag later dan gemiddeld (Bijlage 3).

De gemiddelde legselgrootte was met 5,0 (SD=0,8; N=80) en 5,1 (SD=0,78; N=96) wat hoger dan voor de periode 1995-2016 normaal is; 4,8 (SD=0,9; N=1411). Het gemiddeld aantal jongen was met respectievelijk 3,8 (SD=1,3, N=99) en 3,6 (SD=1,0, N=989) gelijk en wat lager dan het gemiddelde voor de periode 1995-2016; 3,8 (SD=1,2, N=1709) (Figuur 21). Evenals bij de Buizerd was 2015 wat betreft het aantal jongen een beter jaar dan 2016. In 2016 was er bij de jongen nogal wat uitval.

Figuur 21. Gemiddeld aantal eieren en aantal jongen per nest voor de Torenvalk in Zeeland in de periode 1995-2016.

 

In Tabel 6 wordt een overzicht gegeven van de prooiresten die in 2015 en 2016 in en bij nesten van Torenvalken werden aangetroffen. In 2015 werd in Zeeuws-Vlaanderen gestart met het verzamelen van braakballen. Telkens als er in een nest werd gekeken, werden alle plukresten verzameld, alle dieren waar nog wat eetbaars aan zat op naam gebracht en terug in het nest gelegd en indien aanwezig werden minimaal tien hele braakballen verzameld. Later werden de ballen geplozen en de plukresten op naam gebracht. Een niet zo gemakkelijke klus omdat braakballen van Torenvalken veel minder botresten bevatten dan bijvoorbeeld die van uilen en je het bovendien wat betreft plukresten vaak moet doen met een enkel of een paar veertjes. Het verklaart het grote aantal niet op naam gebrachte zangvogels en muizen. Plukresten van vogels die niet op naam gebracht konden worden, zijn bewaard. Uit de tabel blijkt dat Veld- en Aardmuizen belangrijke prooien zijn. Ook valt de grote variatie aan prooien op, dit voor zowel zoogdieren als vogels. Het laat zien dat Torenvalken meer kunnen dan muizen vangen. De meeste prooien werden verzameld bij nesten tijdens het ringen van de jongen. Op dat moment is het aanbod aan jonge vogels groot. Bas de Maat verzamelde bij zijn Torenvalknestkast tijdens het opgroeien van de jongen om de andere dag plukresten en braakballen en deed dat ook op een slaapplaast van een Torenvalk in de herfst. Dat leverde voor die laatste periode een heel ander beeld op dan tijdens het broedseizoen (Figuur 22).

 

 
Figuur 22. Links Prooien in braakballen van een Torenvalk verzameld op een slaapplaats in Hoek in week 39-49 van 2015 (N=36) en rechts pluk- en prooiresten en prooien in braakballen verzameld bij een Torenvalknestkast op dezelf-de locatie in Hoek in week 25-29 van 2016 (N=217). De vergelijking is op basis van gewicht.

 

Tabel 6. Prooiresten bij Torenvalknesten in Zeeuws-Vlaanderen in 2015 en 2016.Tabel 6. Prooiresten bij Torenvalknesten in Zeeuws-Vlaanderen in 2015 en 2016.