Over geheel Zeeland beschouwd is de onderzoeksinspanning sinds 2010 vrijwel gelijk gebleven (Figuur 10). Het aantal ingestuurde nestkaarten, 732 in 2015 en 753 in 2016, doet anders vermoeden (Figuur 11). Deze toename wordt vooral veroorzaakt door het meetellen van nestkaarten van niet bezette nestkasten. Voorheen kwamen de gegevens daarvan niet op een kaart terecht. Het is een groot voordeel dat de waarnemers daar via de in 2015 in gebruik genomen Nestkaart-app toe worden verleid.

De best onderzochte deelgebieden zijn in afnemende rangorde; Midden Zeeuws-Vlaanderen, Walcheren, de Westerschelde (geen nestkaarten), de Hals van Zuid-Beveland, Tholen & Sint Philipsland, Oost Zeeuws-Vlaanderen (Bruine Kiekendieven bijna volledig), het Veerse Meer, West Zeeuws-Vlaanderen, Zuid-Beveland (nogal wat nestkaarten), de Grevelingen & het Volkerak-Zoommeer, Schouwen, Duiveland, Noord-Beveland en de Oosterschelde (nauwelijks broedende roofvogels).

Figuur 10. Aantal in de periode 1995-2016 in Zeeland per jaar opgespoorde roofvogelnesten en roofvogelbroedparen.
Figuur 11. Aantal in de periode 1995-2016 in Zeeland ingezonden nestkaarten van roofvogels.

In Bijlage 1 en Bijlage 2 wordt voor de afzonderlijke deelgebieden een schatting van het aantal broedparen gegeven. Schattingen komen tot stand door rekening te houden met jaarlijks goed onderzochte gebieden en het gegeven dat roofvogels jaren achtereen gebruik maken van hetzelfde broedgebied. De schattingen zijn voorgelegd aan de regioco√∂rdinatoren.

In Bijlage 3 wordt voor de periode 1995-2016 per soort een overzicht gegeven van de belangrijkste broedbiologische gegevens, namelijk; de start van de eileg, het aantal eieren en het aantal uitgevlogen jongen. Ook wordt het aantal geringde jongen vermeld. Bij de soortbeschrijvingen zijn tabellen opgenomen over prooien die tijdens nestbezoeken op en/of nabij nesten zijn aangetroffen.