In 2013 werden in Zeeland 67 broedparen van de Sperwer opgespoord waarvan in 47 gevallen ook het nest. De schatting is met 120-195 paren bijna 15% hoger dan het jaar daarvoor (Figuur 13). Sperwers zijn moeilijk op te sporen. Nesten worden vaak gevonden zodra de jongen (bijna) zijn uitgevlogen. Een jaar met veel mislukkingen levert daardoor een lager aantal op dan een jaar met veel geslaagde broedgevallen. In 2013 mislukte 14 van de 29 nesten waarvan het broedsucces bekend is en in 2014 zeven van de 36 nesten. Deze getallen zeggen overigens weinig over het werkelijke aandeel mislukkingen. Daarvoor mogen alleen nesten worden gebruikt die vanaf het begin van het broedproces worden gecontroleerd.

Figuur 13. Aantal nesten, broedparen en aantalsschatting van de Sperwer in Zeeland in de periode 1995-2014.

In 2014 waren ook de Sperwers er vroeg bij. Ze begonnen gemiddeld op 28 april (SD=4,9; N=8), dat is vijf dagen vroeger dan normaal. Het gemiddeld aantal eieren was met 4,9 (SD=1,1; N=7) 0,5 ei hoger dan normaal en het aantal jongen was met gemiddeld 3,9 (SD=1,0; N=14) 0,6 jong hoger dan normaal. Met de normale waarden worden de gemiddelden voor de periode 1995-2014 bedoeld (Bijlage 2).

In Tabel 4 wordt een overzicht gegeven van de in 2014 op en bij Sperwernesten verzamelde prooiresten. De belangrijkse prooien waren mezen, Spreeuwen en de Huismussen. Bijzonder was de vondst van een Meerkoetpul. Het lag op een nest aan de Oudedijk in Kruiningen (RSI).

 Tabel 4. Prooien van de Sperwer in Zeeland in 2014.Tabel 4. Prooien van de Sperwer in Zeeland in 2014.