Over geheel Zeeland beschouwd is de onderzoeksinspanning sinds 2010 vrijwel gelijk gebleven. In 2014 werden 541 nestkaarten ingevuld (Figuur 9) en in totaal 716 broedparen opgespoord waarvan in 583 gevallen ook het nest (Figuur 10).

De best onderzochte deelgebieden zijn (afnemende rangorde): Midden Zeeuws-Vlaanderen, Walcheren, De Grevelingen & Volkerak-Zoommeer (geen nestkaarten) de Westerschelde (geen nestkaarten), de Hals van Zuid-Beveland Oost Zeeuws-Vlaanderen en Tholen. West Zeeuws-Vlaanderen, en Zuid-Beveland (nogal wat nestkaarten) nemen een tussenpositie in. Noord-Beveland, Schouwen, Duiveland, het Veerse Meer en de Oosterschelde (nauwelijks broedende roofvogels) zijn de minst onderzochte gebieden (Figuur 10).

In Bijlage 1 wordt voor de deelgebieden een schatting van het aantal broedparen gegeven. Schattingen komen tot stand door rekening te houden met jaarlijks goed onderzochte gebieden en het gegeven dat roofvogels jaren achtereen gebruik maken van hetzelfde broedgebied.  

In Bijlage 2 wordt voor de periode 1995-2014 per soort een overzicht gegeven van de belangrijkste broedbiologische gegevens, namelijk de start van de eileg, het aantal eieren en het aantal uitgevlogen jongen. Ook wordt het aantal geringde jongen vermeld. Bij de soortbeschrijvingen zijn
tabellen opgenomen over prooien die tijdens nestbezoeken op en/of nabij nesten zijn aangetroffen.

 

Figuur 9. Aantal in de periode 1995-2014 in Zeeland ingezonden nestkaarten van roofvogels.

 

Figuur 10. Aantal in de periode 1995-2014 in Zeeland per jaar opgespoorde roofvogelnesten en roofvogelbroedparen.