Figuur 9. Aantal in de periode 1995-2012 in Zeeland per jaar opgespoorde roofvogelnesten en roofvogelbroedparen.
Figuur 10. Aantal in de periode 1995-2012 in Zeeland ingestuurde nestkaarten van roofvogels.
De onderzoeksinspanning was in 2012 wat groter dan in 2010 en 2011 en benaderd die van de topjaren 2000 en 2001. In totaal werden 761 broedparen opgespoord waarvan in 625 gevallen ook het nest (Figuur 9). In 2012 werd het recordaantal van 526 nestkaarten ingevuld (Figuur 10).

Ten opzichte van de voorgaande jaren is de onderzoeksinspanning vooral in de deelgebieden Walcheren en de Westerschelde toegenomen. Op Schouwen-Duiveland is ze na de dip in 2011 weer op het niveau van daarvoor.

De best onderzochte deelgebieden zijn in afnemende rangorde: Midden Zeeuws-Vlaanderen, de Westerschelde (vooral Saeftinghe!), de Hals van Zuid-Beveland, Tholen & Sint Philipsland en Oost-Zeeuws-Vlaanderen. Walcheren (weinig nestkaarten), Schouwen-Duiveland (geen nestkaarten), de Grevelingen & Volkerak-Zoommeer (nauwelijks nestkaarten) en Zuid-Beveland (nogal wat nestkaarten) nemen een tussenpositie in. West Zeeuws-Vlaanderen, Noord-Beveland en het Veerse Meer zijn de minst onderzochte gebieden.

In West Zeeuws-Vlaanderen gaat de aandacht vooral uit naar de Bruine Kiekendief en de Torenvalk. Dat is de laatste jaren steeds zo.

In Bijlage 1 wordt voor de deelgebieden een schatting van het aantal broedparen gegeven. Schattingen komen tot stand door rekening te houden met jaarlijks goed onderzochte gebieden en het gegeven dat roofvogels jaren achtereen gebruik maken van hetzelfde broedgebied.

In Bijlage 2 wordt voor de periode 1995-2012 per soort een overzicht gegeven van de belangrijkste broedbiologische gegevens, namelijk de start van de eileg, het aantal eieren en het aantal uitgevlogen jongen. Bovendien wordt het aantal geringde jongen vermeld.