Figuur 11. Aantal broedparen van de Bruine Kiekendief in Zeeland in de periode 1995-2012.
 Doorgroei van bloedspoelen bij een Bruine Kiekendief op een nest bij Sint Kruis op 16 juli 2012. De doorgroei is een gevolg van nat weer (Bijlsma 1994). Foto Jaap Poortvliet. Doorgroei van bloedspoelen bij een Bruine Kiekendief op een nest bij Sint Kruis op 16 juli 2012. De doorgroei is een gevolg van nat weer (Bijlsma 1994). Foto Jaap Poortvliet.
 Tabel 2. Prooien en prooiresten op en nabij nesten van de Bruine Kiekendief in Zeeuws-Vlaanderen in 2012. PL is pluk- of prooirest en BB is braakbal.Tabel 2. Prooien en prooiresten op en nabij nesten van de Bruine Kiekendief in Zeeuws-Vlaanderen in 2012. PL is pluk- of prooirest en BB is braakbal.
Jonge Bruine Kiekendief van enkele dagen oud. De vier eieren zijn niet uitgekomen. Het jong is later wel uitgevlogen. Diepe Gat Stavenisse , 2 juni 2012. Foto: Dick Gunst. Nesten met slechts één uitvliegend jong kwamen in de periode 1995-2012 in 7 % van de gevallen voor (N=779). In 2012 ging het om 17% van de broedsels (N=59). Jonge Bruine Kiekendief van enkele dagen oud. De vier eieren zijn niet uitgekomen. Het jong is later wel uitgevlogen. Diepe Gat Stavenisse , 2 juni 2012. Foto: Dick Gunst. Nesten met slechts één uitvliegend jong kwamen in de periode 1995-2012 in 7 % van de gevallen voor (N=779). In 2012 ging het om 17% van de broedsels (N=59).
 Restanten van vissen op een nest van een Bruine Kiekendief aan 't Paviljoen bij Oostburg op 10 augustus 2012. Foto: HC.Restanten van vissen op een nest van een Bruine Kiekendief aan 't Paviljoen bij Oostburg op 10 augustus 2012. Foto: HC.

In 2012 werden 216 broedparen opgespoord. In 194 gevallen was sprake van een nest. In 59 nesten werd daadwerkelijk één of meerdere keren gekeken. Het aantal broedparen wordt geschat op 230-270. Sinds de crash van de populatie in 2003, is het aantal broedparen min of meer stabiel (Figuur 11).

De gemiddelde start van de eileg was met 30 april zes dagen later dan het gemiddelde voor de periode 1995-2012 (SD=17; N=48). Dat komt omdat legsels van Bruine Kiekendieven de laatste jaren vaak mislukken en paren daarna opnieuw beginnen. Het onderscheid tussen eerste legsels en na- of vervolglegsels is vaak niet te maken (zie ook Castelijns et al. 2010).

In 2012 zijn vier van de 48 paren met de eileg gestart in juni: 2 juni (rechtstreeks, op basis vleugellengte 30 mei); 6 juni (op basis vleugellengte); 18 juni (rechtstreeks, op basis vleugellengte 12 juni) en 19 juni (op basis vleugellengte). In twee gevallen ging het zeker om een vervolglegsel na een eerdere mislukking (telkens in riet). Van de beide andere gevallen, allebei in graan is dat niet bekend, maar wel aannemelijk. Drie van de vier nesten slaagden. Het laatste mislukte in de kleine jongenfase (oorzaak onbekend).

Het aantal eieren per nest was met 4,7 (SD=1,2; N=35) gemiddeld en het aantal jongen met 2,7 het laagste ooit (SD=1,1; N=59). Minder jongen in nesten van de Bruine Kiekendieven is al langer een trend (Castelijns et al. 2010), maar in 2012 was het wel erg bar. Door het slechte weer tijdens het opgroeien van de jongen, konden de ouders minder voedsel aanvoeren waardoor jongen stierven. In twee gevallen werd vastgesteld dat bijna vliegvlugge jongen als voedsel dienden voor broer of zus. Dat er honger werd geleden, bleek ook uit het veelvuldig voorkomen van hongermaliën: in beide vleugels tezamen gemiddeld 7,0 (SD=7,4; N=64) en in de staart 8,9 (SD=12,1; N=64). Een ander kenmerk van slecht weer is het moeilijk uit de bloedspoel komen van de (veer)vlag. Normaal bladdert de bloedspoel tijdens de veergroei af, zodat de vlag zich kan ontvouwen. In natte jaren verschilfert de bloedspoel nauwelijks, waardoor deze met de veer meegroeit. De vlag blijft te lang in de spoel zitten, met beschadigingen tot gevolg (Bijlsma 1994) (zie foto hiernaast). Kwantitatieve gegevens zijn er niet. Wel is lopende het seizoen de vlaglengte van P8 (achtste handpen vanaf binnen) en S1 (middelste staartpen) gemeten (N=44). Omdat ook telkens de vleuggellengte is gemeten, weten we na een paar ‘normale’ jaren meer.

In Tabel 2 wordt een overzicht gegeven van de prooien en prooiresten die bij en op de nesten van Bruine Kiekendieven zijn gevonden. Er wordt bijna alleen maar iets gevonden als er jongen zijn. Daarom heeft de Tabel vooral betrekking op prooien die worden gevangen in de maanden juni-augustus. Op aantalsbasis zijn jonge Fazanten en (veld)muizen dan de belangrijkste prooien.

In 2012 broedden minstens elf paren in landbouwgewas; één in graszaad en tien in (winter)graan. Er waren geen broedgevallen in luzerne. Binnendijks broedden 96 paren in riet (overschatting ten opzichte van landbouwgewas omdat veel aandacht naar riet uitgaat) en acht in een (riet)ruigte. Van de vogels in landbouwgewas is van twee het broedsucces niet bekend, de rest lukte. Bij één van deze twee, een broedgeval in graszaad wilde de eigenaar niet aan bescherming mee werken. Graszaad wordt vroeg gemaaid, mislukking is daardoor aannemelijk. Van de broeders in riet en (riet)ruigte mislukten 36 van de 93 nesten (39 %). In vergelijking met voorgaande jaren niet eens zo slecht (Castelijns et al. 2010, Castelijns 2012). Door de veelvuldige regen stond er in meer rietvelden water en was de waterstand hoger. Zoiets biedt meer bescherming tegen grondpredatoren (lees de Vos).

In 2012 werd het Verdronken Land van Saeftinghe (24,5 km2 schor en circa 16 km2 slik) in zijn geheel op broedvogels onderzocht. De Bruine Kiekendieven nam Walter Van Kerkhoven voor zijn rekening. Geen sinecure omdat Bruine Kiekendieven nauwelijks territoriaal zijn, in het gebied niet-broedvogels overzomeren en mislukte paren vaak opnieuw beginnen. Bovendien is het normaal dat mannetjes met andere vrouwtjes dan de eigen partner baltsen (HC). In totaal werden 28 broedparen vastgesteld, waarvan in zeker 25 gevallen ook sprake was van een nest. Van 19 paren is het broedsucces bekend: 16 mislukt en drie gelukt (1, 2 en =2 jongen uitgevlogen). Vier paren begonnen na een eerdere mislukking opnieuw en mislukten weer. Van slechts vier nesten is de mislukkingsoorzaak met zekerheid bekend. Het gaat om predatie door Vos (bijtsporen), predatie door onbekend dier (kapot ei), predatie door onbekend dier (verse bloedsporen) en weggespoeld door hoog getij. Het hoge aandeel mislukkingen heeft waarschijnlijk te maken met vestiging van de Vos in het schor en het grote aantal burchten in de onmiddellijke omgeving van Saeftinghe (Bijlage 3).

Vanaf 1995 werden in Zeeland door wijlen Thijs Kramer, Adri Joosse, Rinus van ’t Hof en Henk Castelijns in totaal 1544 Bruine Kiekendieven voorzien van een metalen ring van het Vogeltrekstation. Dat heeft slechts de hiernavolgende twaalf (0,77%) terugmeldingen opgeleverd, vaak met dubieuze doodsoorzaak:

  • Geschoten bij Doel (Oost-Vlaanderen, België). Na oplappen gelost, maar korte tijd later dood gevonden bij het Verdronken Land van Saeftinghe.
  • Dood, geen oorzaak. Melding van begin september bij Saint Germain de Marencennes (Charante Maritime, Frankrijk).
  • Verzwakt bij Hoek (Zeeland, Nederland). Na oplappen gelost in Zeeuws-Vlaanderen.
  • Dood. Begin mei bij Oostburg (Zeeland, Nederland) gevonden op een vrijwel kale akker en volgens vinder gepakt door een Vos.
  • Dood. In augustus tegen een draad gevlogen bij Hermelinghen (Pas de Calais, Frankrijk).
  • Dood. In augustus tegen een draad gevlogen bij Gravelines (Pas de Calais, Frankrijk).
  • Dood, geen oorzaak. Melding van begin november bij Dannes (Pas de Calais, Frankrijk).
  • Dood, geen oorzaak. Melding van begin augustus bij Dannes (Pas de Calais, Frankrijk).
  • Gevangen bij Casablanca (Marokko).
  • Dood, geen oorzaak. Gevonden bij Steenbergen (Noord Brabant, Nederland).
  • Dood, geen oorzaak. Gevonden bij Oud Gastel (Noord Brabant, Nederland).
  • Dood, geen oorzaak. Alleen bot met ring eraan gevonden onder een duivenhok in Hekelingen (Zuid-Holland, Nederland).

In 2011 is in samenwerking met het Anny Anselin van het Vlaamse Instituut voor Natuur- en bosonderzoek (INBO) gestart met ecologisch onderzoek naar de Bruine Kiekendief, zie hier. Als onderdeel van dit project worden vogels voorzien van vleugelmerken (wingtags). In 2011 zijn in Zeeland 40 en in 2012 62 vogels van zulke merken voorzien. In Vlaanderen ging het om respectievelijk 52 en 64 ex. Dat leverde voor de in Zeeland gemerkte beesten al bijna honderd waarnemingen op. Het merendeel dicht bij het nest, maar er zijn er ook waarnemingen van vogels tijdens de najaarstrek, bijvoorbeeld een Zeeuwse vogel in Midden Frankrijk en een Vlaamse in Oost-Engeland. Het interessantst zijn de waarnemingen van vogels van één jaar en ouder. Drie in Zeeland in 2011 gemerkte vogels werden in de periode mei-augustus 2012 gezien in België, namelijk bij Brugge, Meux (oost van Gembloux) en Bruyelle (zuid van Doornik). Het betekent een terugmeldpercentage van 7% van levende vogels na één jaar! “Doen, met kleurmerken boor je een goudmijn aan”, zei Ben Koks toen we 26 november 2010 met hem spraken over het gebruik ervan. Hij gaat gelijk krijgen!

Hoewel de kleurmerken in de eerste plaats bedoeld zijn om er achter te komen waar vogels (plaats en habitat) zich vestigen om te broeden en of er uitwisseling is tussen de diverse broedpopulaties, heeft het tot nu toe nog meer aardige dingen opgeleverd. Zo bleek dat jongen tot 35 dagen na het uitvliegen in de omgeving van het nest kunnen blijven hangen. De meeste jongen zijn eerder weg. Hoewel deelnemers aan vogeltellingen in het Verdronken Land van Saeftinghe er op letten, zijn daar nog geen overwinterende vogels met kleurmerken gezien[4]. Het idee dat het lokaal geboren juveniele Bruine Kiekendieven overwinteren klopt dus niet (contra Castelijns & Castelijns 2008).

In 2012 is begonnen met een gedetailleerd onderzoek naar de habitatkeuze van de soort. De studie wordt uitgevoerd door Koen Van den Berge in het kader van een Masterthesis Biologie. Ze staat onder begeleiding van het INBO. In Zeeuws-Vlaanderen zijn in de zomer van 2012 24 broedlocaties bekeken en in Vlaanderen 57.

Bijzondere waarnemingen

  • Bij tien verschillende nesten in Zeeuws-Vlaanderen was het de man die de ‘laatste’ prooi van het seizoen naar de uitgevlogen jongen bracht (HC).
  • Bij de Van Lijndenpolderse Kreek (Terneuzen) en Sint Kruiskreek (Sint Kruis) werd gezien dat een jong van een andere broedplaats (niet gevleugelmerkt) zich korte tijd aansloot bij de lokaal geboren jongen (wel gevleugelmerkt) (Jaap Poortvliet, HC).
  • Bij Sint Annaland en Hoek leverde een ouder, respectievelijk man en vrouw, prooi af bij een uitgevlogen jong van een naburig nest (Dick Gunst, HC).
  • Aan de Zwaaksche Weel bij ’s Gravenpolder lag een ganzenei in een nest met 5 eieren van de Bruine Kiekendief. Het is niet bekend of er jongen zijn uitgevlogen (André Hannewijk).
  • Op 8 augustus sjouwde aan de Van Lijndenpolderse Kreek (Terneuzen) een pas uitgevlogen jong met een rietstengel (HC).
  • Er waren twee broedgevallen in een verlande veedrinkput: Biervliet en een locatie op Zuid-Beveland (zie foto hieronder). Bij Biervliet bevond het nest zich 65 meter vanaf de achterdeur van een bewoonde woning (alleenstaande oudere man) en op 27 meter van een schuur. Beide nesten waren met respectievelijk vijf en drie uitgevlogen jongen succesvol.
  • Bij de Axelse Kreek (Lage Weg) werden op 12 juni drie jonge Bruine Kiekendieven geringd. Ze waren 24-30 dagen oud. Op 8 juli werd een nacontrole uitgevoerd. Op en bij het nest lagen de resten van de twee jongste jongen. Ze waren circa twee weken dood.

Broedhabitat van de Bruine Kiekendief (verlandde veedrinkput met struik op oever) op Zuid Beveland. Foto Mark Hoeksteen.Broedhabitat van de Bruine Kiekendief (verlandde veedrinkput met struik op oever) op Zuid Beveland. Foto Mark Hoeksteen.

 


 [4]In de winters van 2011/12 en 2012/13 werden tijdens een slaapplaatstelling respectievelijk 88 ex. en ≥ 67 ex. waargenomen. Bovendien wordt maandelijks één hoog- (twee keer twee waarnemers drie uur actief) en één laagwatertelling (vier groepjes van twee tot vier waarnemers vijf tot zes uur actief) uitgevoerd. In de winters van 2011/12 en 2012/13 werden tijdens een slaapplaatstelling respectievelijk 88 ex. en ≥ 67 ex. waargenomen. Bovendien wordt maandelijks één hoog- (twee keer twee waarnemers drie uur actief) en één laagwatertelling (vier groepjes van twee tot vier waarnemers vijf tot zes uur actief) uitgevoerd.