Het blijft onverminderd goed gaan met het roofvogelonderzoek in Zeeland. Het aantal opgespoorde nesten schommelt al jaren rond de 500 en het aantal opgespoorde broedparen rond de 700 (Figuur 7). Bijna de helft van de 1000-1550 Zeeuwse roofvogelparen wordt op een of andere wijze gevolgd.

Zonder klimmer geen nestcontroles. Jeroen Castelijns klimt naar een Buizerdnest in de Louisapolder bij Nieuw Namen op 24 april 2011. [i]Foto: Henk Castelijns.[/i]Zonder klimmer geen nestcontroles. Jeroen Castelijns klimt naar een Buizerdnest in de Louisapolder bij Nieuw Namen op 24 april 2011. Foto: Henk Castelijns.Het voorjaar van 2011 was uitzonderlijk droog en zonnig. Droog weer betekent voor roofvogels veel tijd om te jagen en potentiële prooien die actiever zijn en meer nakomelingen produceren. Oftewel meer voedsel dan normaal. Sinds de start van het onderzoek naar broedende roofvogels in 1995, sprong het voorjaar van 2011 er samen met dat van 2007 er wat betreft de weersomstandigheden nadrukkelijk uit (Figuur 2).

Het was opmerkelijk dat 2011 het tweede opeenvolgende jaar was waarin de muizenstand, gemeten aan het aantal uitgevlogen jongen Torenvalken per geslaagd nest, gunstig was (Figuur 6). Dat is niet eerder voorgekomen. De stand van het Konijn neemt nog wat toe en die van de Haas neemt geleidelijk af (Figuur 3-4). Wat betreft de Fazant is er geen duidelijke trend (Figuur 5). De steekproef is echter klein.

Het aantal broedparen van de Havik, de Buizerd en de Slechtvalk neemt nog steeds toe. De Havik is de snelst toenemende soort (Figuur 10). Omdat er nog niet (met zekerheid) in Zeeuws-Vlaanderen wordt gebroed, zal de soort nog verder toenemen. Vorig jaar leek het er op dat aan de toename van de Buizerd een eind was gekomen. Nieuwe vestigingen in 2011 duiden op een verdere toename (Figuur 12). Wat betreft de Slechtvalk komt er bijna jaarlijks een paartje bij (Figuur 15). Meer dan de helft van het aantal paren broedt in Zeeuws-Vlaanderen. Op de Hooge Platen werd voor het eerst sinds 2007 weer met zekerheid gebroed. Zowel het eerste als het vervolglegsel mislukte. Het aantal broedende Slechtvalken zal ongetwijfeld nog verder toenemen. Het aantal broedparen van de Boomvalk lijkt sinds 1995 stabiel (Figuur 14). Het onderzoek naar deze soort staat in Zeeland op een (te) laag pitje. De populatie van de Bruine Kiekendief is sinds 2004 min of meer stabiel (Figuur 9). De soort bereikte omstreeks de eeuwwisseling een piek (éénderde meer paren dan tegenwoordig), maar heeft in 2003 een enorme klap gekregen. Ten noorden van de Westerschelde trad herstel op, maar ten zuiden ervan niet. Voor de oorzaken wordt verwezen naar Castelijns et al. 2009. Van de Sperwer neemt het aantal broedparen sinds 2008 af (Figuur 11). Dit komt door concurrentie met de Havik (alleen noordelijk van de Westerschelde) en waarschijnlijk kraaiachtigen (overal). De stand van de Torenvalk was sinds 1995 lange tijd stabiel. De laatste jaren lijkt de soort wat terrein prijs te geven (Figuur 13).

Het mooie weer kwam voor Buizerds, die normaal vanaf eind maart met de eileg beginnen, te laat om voor vervroeging van de eileg te kunnen zorgen. Torenvalken daarentegen begonnen enkel in 2007 nog wat vroeger. Dat voorjaar was, evenals dat van 2011, zeer droog en warm. De start van de eileg bij de Sperwer week nauwelijks af van normaal. Wat betreft de Bruine Kiekendief is de vergelijkbaarheid tussen de jaren niet (meer) relevant. Een groot aandeel van de paren begint na een eerdere mislukking opnieuw. Omdat het onderscheid tussen eerste en vervolg- of nalegsels zonder nestbezoek meestal niet te maken is, is bij deze soort de gemiddelde eilegdatum niet vergelijkbaar met de jaren 1995-2002 toen het nog goed met de soort ging en dergelijke legsels veel minder voorkwamen (Castelijns et al 2009). Het onderscheid tussen eerste en vervolg- of nalegsels is vaak niet te maken omdat uit beschermingsoogpunt het aantal nestbezoeken bij de Bruine Kiekendief wordt beperkt. Bij boombroedende roofvogels is van op afstand te zien of, en zo ja op welk nest (eerste of tweede), er wordt gebroed. Bij de Bruine Kiekendief, die op de grond in hoge vegetatie broedt, is de exacte nestplaats zonder nestbezoek moeilijk te bepalen. Omdat tweede nesten vaak dicht bij het oude nest worden gebouwd (10-25 m), valt het niet op dat een paar opnieuw is begonnen. Bij de Havik, Boomvalk en Slechtvalk zijn er te weinig gegevens voorhanden om de start van de eileg tussen jaren onderling te vergelijken.

Bij de Bruine Kiekendief was het aantal eieren in 2011 gemiddeld en het aantal jongen iets lager dan gemiddeld. Het aantal jongen bij deze soorten neemt al jaren af. Voor oorzaken zie Castelijns et al. 2009 en Castelijns 2011. Wat betreft de Havik is het onderzoek pas recent gestart en is geen vergelijkingsmateriaal voorhanden. Qua legselgrootte had de Sperwer een goed jaar. Op 2007 na was het aantal eieren nog nooit zo hoog. Het aantal uitgevlogen jongen was zelfs recordhoog. Mooi weer levert veel potentiële prooien (jonge zangvogels) op. Het aantal eieren bij de Buizerd was gemiddeld en het aantal jongen bovengemiddeld. Om het aantal eieren te kunnen beïnvloeden, kwam het mooie weer te laat. Omdat er bij mooi weer weinig uitval aan jongen is en de voedselomstandigheden gunstig waren, vloog een bovengemiddeld aantal jongen uit. Het aantal eieren was bij de Torenvalk bovengemiddeld en het aantal jongen eveneens.

De roofvogelvervolging in Zeeland houdt aan. Te weinig waarnemers realiseren zich dat. De meeste meldingen komen van een paar personen die weten waar op te letten. Schaf voor een paar euro het boekje “Herkenning en opsporing van roofvogelvervolging” van de Werkgroep Roofvogels Nederland (Jansman 2001) aan en maak het roofvogelvervolgers lastig. In het boekje staat waar het ze om te doen is, hoe ze te werk gaan en hoe je roofvogelvervolging herkent. Dat vervolging een negatieve invloed kan hebben (is natuurlijk ook de bedoeling van de daders), blijkt in de Braakmanpolder. Daar werden in 2003-2008 in totaal 28 door een onafhankelijk laboratorium (CVI Lelystad) vastgestelde gevallen van vergiftiging vastgesteld met een zeer duidelijke negatieve impact op de populatie in die periode (Figuur 16).

Onderzoekswensen

  • Bruine Kiekendief. Oorzaken mislukkingen hard maken, habitat beschrijven, op graanbroeders letten, herkomst overwinteraars vaststellen en leeftijd en geslacht overwinteraars hard maken.
  • Havik. Onderzoek naar prooien en meer nestcontroles op Schouwen-Duiveland en op Walcheren.
  • Sperwer. Oorzaken mislukkingen vaststellen, meer nestcontroles in verband met grotere steekproef broedbiologisch onderzoek en aantal vaste proefvlakken jaarlijks op nesten uitkammen.
  • Buizerd. Geen speciale wensen.
  • Torenvalk. Op systematische wijze prooiresten onderzoeken in braakballen.
  • Boomvalk. Meer nestcontroles in verband met grotere steekproef broedbiologisch onderzoek.
  • Slechtvalk. Opsporen broedparen bij hoge gebouwen en hoogspanningsmasten met speciale aandacht voor industriële installaties en kerken.
  • Wespendief. Blijf alert!
  • Monitoring potentiële prooien. Meer telroutes Haas, Konijn en Fazant en een Veldmuizentrend.

Uw goede voornemen voor 2012 zou kunnen zijn: Ik vul na elk veldbezoek meten de nestkaart in.