Figuur 7. Aantal in de periode 1995-2011 in Zeeland per jaar opgespoorde roofvogelnesten en roofvogelbroedparen.Figuur 7. Aantal in de periode 1995-2011 in Zeeland per jaar opgespoorde roofvogelnesten en roofvogelbroedparen.De onderzoeksinspanning was in 2011 vrijwel gelijk aan die in 2010. In totaal werden 688 broedparen opgespoord waarvan in 500 gevallen ook het nest werd gelokaliseerd (Figuur 7). In 2011 werden 444 nestkaarten ingevuld (Figuur 8).

De Grevelingen werd in 2011 integraal gekarteerd. Dat gebeurt om de drie jaar (Kees de Kraker). In Midden Zeeuws-Vlaanderen wordt dat sinds 1995 voor alle roofvogelsoorten jaarlijks gedaan. Daar wordt ook naar nesten gezocht. Dat is vooral van belang om een juist beeld van de broedpopulatie van de Sperwer te krijgen. Als niet naar nesten wordt gezocht, is het vooral deze soort waarvan het aantal broedparen wordt onderschat (zie onder andere Figuur 8. Aantal in de periode 1995-2011 in Zeeland ingestuurde nestkaarten van roofvogels.Figuur 8. Aantal in de periode 1995-2011 in Zeeland ingestuurde nestkaarten van roofvogels.Bijlsma 1997). De onderzoeksinspanning op de Bevelanden, in het Veerse Meer, op Tholen, op Sint Philipsland en in Oost Zeeuws-Vlaanderen was de laatste drie jaren vrijwel gelijk. Op Schouwen-Duiveland, op Walcheren en in West Zeeuws-Vlaanderen vond minder onderzoek plaats dan elders in Zeeland. In eerst genoemde regio was dat voor het eerst. In beide andere regio's was de onderzoeksinspanning gelijk aan vorige jaren. Wat betreft het Markiezaatsmeer, de Westerschelde (Verdronken Land van Saeftinghe), het Zoommeer en het Krammer- Volkerak werden voor 2011 nauwelijks gegevens ontvangen.

Wat soorten betreft zijn er wel wat verschillen. Op Tholen was de onderzoeksinspanning voor wat betreft de Bruine Kiekendief in 2011 nog groter dan in 2010 en elders in Zeeland was deze lager (geen “Jaar van de Bruine Kiekendief” meer). Op de Bevelanden was er meer aandacht voor de Havik dan voorheen. Er wordt daar de laatste jaren maar weinig aandacht besteed aan de Torenvalk. In West Zeeuws-Vlaanderen gaat de aandacht vooral uit naar de Bruine Kiekendief en de Torenvalk. Dat is de laatste jaren steeds zo.

In bijlage 1 wordt voor de deelgebieden een schatting van het aantal broedparen gegeven. Schattingen komen tot stond door rekening te houden met jaarlijks goed onderzochte gebieden en het gegeven dat roofvogels jaren achtereen gebruik maken van hetzelfde broedgebied.

In bijlage 2 wordt voor de periode 1995-2011 per soort een overzicht gegeven van de belangrijkste broedbiologische gegevens, namelijk de start van de eileg, het aantal eieren en het aantal uitgevlogen jongen. Bovendien wordt het aantal geringde jongen vermeld.