Sinds 1995 worden in Zeeland resultaten van broedende (nesten) en territoriumhoudende roofvogels (broedparen) verzameld. Bij ontvangst van de resultaten worden ze gecontroleerd op volledigheid en eventuele onduidelijkheden. Zo nodig wordt bij de waarnemer navraag gedaan. Vervolgens worden de gegevens opgeslagen in een databestand waarbij ze worden getoetst aan vaste criteria. De meeste daarvan zijn te vinden in de ‘Handleiding Veldonderzoek Roofvogels’ (Bijlsma 1997).

Bij broedvogelonderzoek wordt onderscheid gemaakt tussen de vondst van een nest en een territorium. Bij een nest gaat het om een zeker broedgeval en bij een territorium om een paar dat gedurende enige tijd in geschikt broedgebied aanwezig was. Bij de Bruine Kiekendief zijn nestbouw, landingen met prooi op het (niet zichtbare) nest en uitvliegende jongen als nestvondst aangemerkt.

Het broedsucces is berekend met behulp van het aantal uitgevlogen jongen per geslaagd broedgeval. Er zijn alleen resultaten gebruikt van nesten waar daadwerkelijk in werd gekeken of van nesten waarvan het aantal jongen werd bepaald door langdurige en/of herhaalde observatie. In 2010 is een deel van de al ingevoerde waarnemingen gecontroleerd en nogmaals kritisch bekeken. Indien het bewijs voor langdurige of herhaalde observatie ontbrak, zijn deze resultaten alsnog buiten de berekening gehouden. Daardoor zijn er afwijkingen met vorige rapportages.

De start van de eileg wordt meestal bepaald door meting van de vleugellengte van het oudste jong. Met behulp van groeicurves kan daaruit de leeftijd worden berekend (Bijlsma 1997). In sommige gevallen, vooral bij in nestkasten broedende Torenvalken, is de startdatum rechtstreeks bepaald.

Jongen worden als uitgevlogen beschouwd, als ze bij de laatste controle ten minste tweederde van de nesttijd er op hebben zitten en bovendien op dat moment in goede conditie zijn (code N6 op nestkaart), bij de laatste controle op het punt van uitvliegen staan (code N7 op nestkaart), nabij het nest zijn gezien (code N9, N10 of N11 op nestkaart) of als door een nacontrole wordt vastgesteld dat het nest leeg is en er geen resten van dode jongen aanwezig zijn (code C1, C2 en C3 op nestkaart).

In dit verslag wordt per soort een overzicht gegeven van alle sinds 2005 op en nabij het nest gevonden prooiresten die op nestkaarten stonden geschreven, in artikels zijn gepubliceerd of per brief of e-mail werden doorgegeven. Er wordt onderscheid gemaakt tussen braakballen (BB) enerzijds en plukresten en nog niet (in zijn geheel) opgegeten prooien anderzijds (PR). Zichtwaarnemingen zijn buiten beschouwing gelaten. Nesten waarbij goed naar prooiresten werd gezocht (AG) en nesten waarbij prooiresten op ad hoc basis werden verzameld (AH), zijn apart gehouden. Bij Havik en Slechtvalk wordt dit onderscheid niet gemaakt. De prooiresten bij deze soorten zijn opvallend en, omdat het (meestal) grote soorten betreft, relatief eenvoudig te verzamelen en te determineren. Waarschuwing. Zelfs de eerste groep (AG) geeft geen volledig beeld van het voedsel, bijvoorbeeld omdat prooien niet transporteerbaar waren (zware prooien en eieren), resten niet werden teruggevonden (kleine jonge vogels en insecten) en braakballen werden toegewezen aan de belangrijkste erin voorkomende prooisoort (Bijlsma 1997). De tabellen met prooiresten bij de soortbeschrijvingen zijn samengesteld met resultaten van nesten waarbij goed werd gezocht (AG). In deze tabellen zijn soorten in groepen samengevat. De meeste groepen spreken voor zich. Bij de groep ‘Watervogels’ gaat het alleen om ganzen en eenden. De groep ‘kleine zangvogels’ bestaat uit Winterkoning, Heggenmus, kleine lijsterachtigen (Roodborst, Blauwborst, Roodborsttapuit etc.), zangers, vliegenvangers, mezen en Boomkruiper. De groep ‘Vogels indet.’ is een samenvatting van niet determineerbare vogels en de groep ‘Vogels overigen’ bevat soorten die niet tot een van de groepen behoren, bijvoorbeeld Dodaars, Fuut en Wielewaal.