2010 was het Jaar van de Bruine Kiekendief. Bijna geheel Zeeland werd gebiedsdekkend geïnventariseerd. De broedpopulatie wordt geschat op 240-255 paar. Het is een pak minder dan in het topjaar 2002 toen het om 300-345 paar ging. In het binnendijkse deel van Zeeuws-Vlaanderen werd in 2010 op het broedsucces gelet. Het raakte bekend van 62 van de 72 broedparen; slechts 23 van de 62 paren lukten! Het ging meestal aan het begin van het broedproces mis. Omdat het broedsucces belabberd is, zal het aantal broedparen de komende jaren ongetwijfeld nog verder afnemen. Voor veronderstelde oorzaken, zie Castelijns et al. 2010.

Wat betreft de overige in Zeeland broedende roofvogelsoorten is de onderzoeksinspanning sinds 2005 vrijwel gelijk gebleven. In 2009 en 2010 hebben in Zeeland zeven roofvogelsoorten gebroed. In totaal ging het om 1000-1400 paren, waarvan ruwweg de helft werd opgespoord. Van vier soorten (Bruine Kiekendief, Sperwer, Buizerd en Torenvalk) zijn er voldoende broedbiologische resultaten om vergelijkingen te maken met eerdere jaren. Voor Havik, Boomvalk en Slechtvalk is dat niet het geval.

Hoewel de winters van 2009 en 2010 kouder waren dan we de laatste jaren gewend waren, hebben ze geen merkbare invloed gehad op de broedpopulaties en het broedsucces. Dat geldt ook voor de weersomstandigheden tijdens het broedseizoen. Hoewel, lokaal waren er mislukkingen door een uitzonderlijk zwaar onweer op 26 mei 2009.

Rekening houdend met het aantal uitgevlogen jonge Torenvalken was de Veldmuizenstand in 2009 slecht en in 2010 goed. De Hazenstand was op hetzelfde niveau als die van 2005-2008, maar een stuk lager dan 2004. Het aantal Konijnen neemt, sinds de ineenstorting van de populatie rondom de eeuwwisseling, nog steeds toe. Het aantal Fazanten lijkt min of meer stabiel. Mogelijk voldoet de telmethode niet.

De start van de eileg was bij de Sperwer en de Buizerd in beide jaren en bij de Torenvalk in 2010 normaal (normaal staat voor een geringe afwijking van het gemiddelde in de periode 1995-2010). In 2009 begonnen Torenvalken zeven dagen later dan gewoonlijk. Bruine Kiekendieven "lijken" sinds 2007 steeds later te beginnen: 3-7 dagen. Dat komt omdat er tegenwoordig in tegenstelling tot voorheen nogal wat vervolglegsels (na eerdere mislukkingen) zijn, die niet apart gehouden kunnen worden. De start van de eileg wordt namelijk bepaald met behulp van de vleugellengte van het oudste jong. Die maat wordt genomen tijdens het ringen. Dan is niet meer te achterhalen of het om een eerste of vervolglegsel gaat. Bij boombroedende vogels vallen vervolglegsels meer op omdat er vaker controles plaatsvinden en er wordt gebroed op een nieuw nest in een andere boom. Bij de in hoge vegetatie, op de grond broedende Bruine Kiekendieven is het onderscheid tussen twee nesten (oud en nieuw nest liggen hooguit enkele tientallen meters uiteen) moeilijk te maken.

In 2009 waren de legselgroottes bij Torenvalk en Buizerd lager dan normaal en in 2010 waren ze gelijk aan het gemiddelde over de periode 1995-2010. Bij de Bruine Kiekendief en de Sperwer waren zowel 2009 als 2010 qua legselgrootte normale jaren. Het aantal uitgevlogen jongen per succesvol nest lag voor de Torenvalk, de Buizerd en de Bruine Kiekendief in 2009 beneden de normale waarden: voor Buizerd en Bruine Kiekendief lager dan ooit en voor de Torenvalk op één na laagste. In 2010 was het broedsucces voor de Buizerd en de Bruine Kiekendief normaal en had de Torenvalk een bovengemiddeld goed jaar. Voor de Sperwer waren beide jaren normaal. Bij de Bruine Kiekendief en de Sperwer neemt het aantal mislukte nesten toe. Beide soorten nemen daarom in aantal af. Het aantal broedparen van de Sperwer is gedaald van 200-275 in 2005 tot 125- 215 tegenwoordig. Het aantal broedparen van de Torenvalk fluctueert al jaren tussen 390-525 paar.

De toename van de Buizerd lijkt tot stilstand te zijn gekomen. Er broeden de laatste jaren circa 300 paar.

De late start bij de Torenvalk in 2009 en het geringe broedsucces van de soort in datzelfde jaar, alsook het gering broedsucces bij de Buizerd en de Bruine Kiekendief, hebben waarschijnlijk van doen met een lage Veldmuizenstand.

Het aantal broedparen van de Havik neemt nog steeds toe. Het gaat tegenwoordig om 35-50 paar (inclusief gehele Grevelingen en Markiezaat- en Zoommeer). Elk jaar worden nog nieuwe broedplaatsen ontdekt. Omdat er nog steeds niet in Zeeuws-Vlaanderen wordt gebroed (enige Havikloze regio in heel Nederland!), ligt er nog een forse toename in het verschiet. Het gemiddelde aantal uitgevlogen jongen per geslaagd nest ligt in Zeeland lager dan het landelijk gemiddelde. Het zou kunnen betekenen dat de steekproef te klein is of dat er immigratie plaatsvindt vanaf elders. Om een en ander beter te begrijpen, zouden er meer nestcontroles plaats moeten vinden. Op de Bevelanden hebben ze wat dat betreft ambitieuze plannen. Hopelijk blijven andere regio’s niet achter.

Ook het aantal Slechtvalken zit nog steeds in de lift. In 2010 waren er twee nieuwe vestigingen: Axel en Middelburg. In Axel werd met succes gebroed, in Middelburg waarschijnlijk niet. Bij Borssele werd er, na het wegvangen van een hybride valk die in 2007 en 2008 zorgde voor mislukkingen, in 2009 en 2010 weer succesvol gebroed. Het paar bij Sluiskil was in 2009 succesvol en in 2010 niet. Omdat Slechtvalken meestal broeden op hoge gebouwen en elektriciteitsmasten, en dit niet de favoriete habitat van de Zeeuwse roofvogelaar is, is het aannemelijk dat er nu al meer broedparen zijn dan we denken. De (voorzichtige) schatting voor Zeeland komt op 7-9 paar.

De Boomvalk is het stiefkindje van de Zeeuwse roofvogelaars. Hoewel we met 40-70 paren in Zeeland een redelijk deel van de landelijke populatie hebben, worden jaarlijks maar enkele nesten gecontroleerd: sinds 1995 gemiddeld minder dan één in de eifase en vijf in de jongenfase. Het gaat niet goed met Boomvalk in Nederland. Maar hoe zit het in Zeeland? We hebben toch geen "Jaar van ……" nodig om daar achter te komen.

Een overzicht van de door Zeeuwse roofvogels gegrepen prooien wordt per soort gegeven in de bijlagen 3-8 en samengevat in de tabellen 1-6.

Onderzoekswensen

  • Bruine Kiekendief. Oorzaken mislukkingen hard maken, habitat beschrijven, op graanbroeders letten, herkomst overwinteraars vaststellen en leeftijd en geslacht overwinteraars hard maken.
  • Havik. Onderzoek naar prooien en meer nestcontroles in verband met grotere steekproef broedbiologisch onderzoek.
  • Sperwer. Oorzaken mislukkingen vaststellen, meer nestcontroles in verband met grotere steekproef broedbiologisch onderzoek en aantal vaste proefvlakken jaarlijks op nesten uitkammen
  • Buizerd. Geen speciale wensen.
  • Torenvalk. Op systematische wijze prooiresten onderzoeken in braakballen.
  • Boomvalk. Meer nestcontroles in verband met grotere steekproef broedbiologisch onderzoek.
  • Slechtvalk. Opsporen broedparen bij hoge gebouwen en elektriciteitsmasten met speciale aandacht voor industriële installaties en kerken.
  • Wespendief. Blijf alert!
  • Monitoring potentiële prooien. Meer telroutes Haas, Konijn en Fazant. Veldmuizentrend.

Voorstel "goede voornemen" seizoen 2011: ik vul na een veldbezoek meteen de nestkaarten in.


2010 was het Jaar van de Bruine Kiekendief. Bijna geheel Zeeland werd gebiedsdekkend geïnventariseerd. De broedpopulatie wordt geschat op 240-255 paar. Het is een pak minder dan in het topjaar 2002 toen het om 300-345 paar ging. In het binnendijkse deel van Zeeuws-Vlaanderen werd in 2010 op het broedsucces gelet. Het raakte bekend van 62 van de 72 broedparen; slechts 23 van de 62 paren lukten! Het ging meestal aan het begin van het broedproces mis. Omdat het broedsucces belabberd is, zal het aantal broedparen de komende jaren ongetwijfeld nog verder afnemen. Voor veronderstelde oorzaken, zie Castelijns et al. 2010. Wat betreft de overige in Zeeland broedende roofvogelsoorten is de onderzoeksinspanning sinds 2005 vrijwel gelijk gebleven. In 2009 en 2010 hebben in Zeeland zeven roofvogelsoorten gebroed. In totaal ging het om 1000-1400 paren, waarvan ruwweg de helft werd opgespoord. Van vier soorten (Bruine Kiekendief, Sperwer, Buizerd en Torenvalk) zijn er voldoende broedbiologische resultaten om vergelijkingen te maken met eerdere jaren. Voor Havik, Boomvalk en Slechtvalk is dat niet het geval. Hoewel de winters van 2009 en 2010 kouder waren dan we de laatste jaren gewend waren, hebben ze geen merkbare invloed gehad op de broedpopulaties en het broedsucces. Dat geldt ook voor de weersomstandigheden tijdens het broedseizoen. Hoewel, lokaal waren er mislukkingen door een uitzonderlijk zwaar onweer op 26 mei 2009. Rekening houdend met het aantal uitgevlogen jonge Torenvalken was de Veldmuizenstand in 2009 slecht en in 2010 goed. De Hazenstand was op hetzelfde niveau als die van 2005-2008, maar een stuk lager dan 2004. Het aantal Konijnen neemt, sinds de ineenstorting van de populatie rondom de eeuwwisseling, nog steeds toe. Het aantal Fazanten lijkt min of meer stabiel. Mogelijk voldoet de telmethode niet. De start van de eileg was bij de Sperwer en de Buizerd in beide jaren en bij de Torenvalk in 2010 normaal (normaal staat voor een geringe afwijking van het gemiddelde in de periode 1995-2010). In 2009 begonnen Torenvalken zeven dagen later dan gewoonlijk. Bruine Kiekendieven ‘lijken’ sinds 2007 steeds later te beginnen: 3-7 dagen. Dat komt omdat er tegenwoordig in tegenstelling tot voorheen nogal wat vervolglegsels (na eerdere mislukkingen) zijn, die niet apart gehouden kunnen worden. De start van de eileg wordt namelijk bepaald met behulp van de vleugellengte van het oudste jong. Die maat wordt genomen tijdens het ringen. Dan is niet meer te achterhalen of het om een eerste of vervolglegsel gaat. Bij boombroedende vogels vallen vervolglegsels meer op omdat er vaker controles plaatsvinden en er wordt gebroed op een nieuw nest in een andere boom. Bij de in hoge vegetatie, op de grond broedende Bruine Kiekendieven is het onderscheid tussen twee nesten (oud en nieuw nest liggen hooguit enkele tientallen meters uiteen) moeilijk te maken. In 2009 waren de legselgroottes bij Torenvalk en Buizerd lager dan normaal en in 2010 waren ze gelijk aan het gemiddelde over de periode 1995-2010. Bij de Bruine Kiekendief en de Sperwer waren zowel 2009 als 2010 qua legselgrootte normale jaren. Het aantal uitgevlogen jongen per succesvol nest lag voor de Torenvalk, de Buizerd en de Bruine Kiekendief in 2009 beneden de normale waarden: voor Buizerd en Bruine Kiekendief lager dan ooit en voor de Torenvalk op één na laagste. In 2010 was het broedsucces voor de Buizerd en de Bruine Kiekendief normaal en had de Torenvalk een bovengemiddeld goed jaar. Voor de Sperwer waren beide jaren normaal. Bij de Bruine Kiekendief en de Sperwer neemt het aantal mislukte nesten toe. Beide soorten nemen daarom in aantal af. Het aantal broedparen van de Sperwer is gedaald van 200-275 in 2005 tot 125- 215 tegenwoordig. Het aantal broedparen van de Torenvalk fluctueert al jaren tussen 390-525 paar. De toename van de Buizerd lijkt tot stilstand te zijn gekomen. Er broeden de laatste jaren circa 300 paar. De late start bij de Torenvalk in 2009 en het geringe broedsucces van de soort in datzelfde jaar, alsook het gering broedsucces bij de Buizerd en de Bruine Kiekendief, hebben waarschijnlijk van doen met een lage Veldmuizenstand. Het aantal broedparen van de Havik neemt nog steeds toe. Het gaat tegenwoordig om 35-50 paar (inclusief gehele Grevelingen en Markiezaat- en Zoommeer). Elk jaar worden nog nieuwe broedplaatsen ontdekt. Omdat er nog steeds niet in Zeeuws-Vlaanderen wordt gebroed (enige Havikloze regio in heel Nederland!), ligt er nog een forse toename in het verschiet. Het gemiddelde aantal uitgevlogen jongen per geslaagd nest ligt in Zeeland lager dan het landelijk gemiddelde. Het zou kunnen betekenen dat de steekproef te klein is of dat er immigratie plaatsvindt vanaf elders. Om een en ander beter te begrijpen, zouden er meer nestcontroles plaats moeten vinden. Op de Bevelanden hebben ze wat dat betreft ambitieuze plannen. Hopelijk blijven andere regio’s niet achter. Ook het aantal Slechtvalken zit nog steeds in de lift. In 2010 waren er twee nieuwe vestigingen: Axel en Middelburg. In Axel werd met succes gebroed, in Middelburg waarschijnlijk niet. Bij Borssele werd er, na het wegvangen van een hybride valk die in 2007 en 2008 zorgde voor mislukkingen, in 2009 en 2010 weer succesvol gebroed. Het paar bij Sluiskil was in 2009 succesvol en in 2010 niet. Omdat Slechtvalken meestal broeden op hoge gebouwen en elektriciteitsmasten, en dit niet de favoriete habitat van de Zeeuwse roofvogelaar is, is het aannemelijk dat er nu al meer broedparen zijn dan we denken. De (voorzichtige) schatting voor Zeeland komt op 7-9 paar. De Boomvalk is het stiefkindje van de Zeeuwse roofvogelaars. Hoewel we met 40-70 paren in Zeeland een redelijk deel van de landelijke populatie hebben, worden jaarlijks maar enkele nesten gecontroleerd: sinds 1995 gemiddeld minder dan één in de eifase en vijf in de jongenfase. Het gaat niet goed met Boomvalk in Nederland. Maar hoe zit het in Zeeland? We hebben toch geen ‘Jaar van ……’ nodig om daar achter te komen. Een overzicht van de door Zeeuwse roofvogels gegrepen prooien wordt per soort gegeven in de bijlagen 3-8 en samengevat in de tabellen 1-6. Onderzoekswensen  Bruine Kiekendief. Oorzaken mislukkingen hard maken, habitat beschrijven, op graanbroeders letten, herkomst overwinteraars vaststellen en leeftijd en geslacht overwinteraars hard maken.  Havik. Onderzoek naar prooien en meer nestcontroles in verband met grotere steekproef broedbiologisch onderzoek.  Sperwer. Oorzaken mislukkingen vaststellen, meer nestcontroles in verband met grotere steekproef broedbiologisch onderzoek en aantal vaste proefvlakken jaarlijks op nesten uitkammen.  Buizerd. Geen speciale wensen.  Torenvalk. Op systematische wijze prooiresten onderzoeken in braakballen.  Boomvalk. Meer nestcontroles in verband met grotere steekproef broedbiologisch onderzoek.  Slechtvalk. Opsporen broedparen bij hoge gebouwen en elektriciteitsmasten met speciale aandacht voor industriële installaties en kerken.  Wespendief. Blijf alert!  Monitoring potentiële prooien. Meer telroutes Haas, Konijn en Fazant. Veldmuizentrend. Voorstel ‘goede voornemen’ seizoen 2011: ik vul na een veldbezoek meteen de nestkaarten in.