In 1994 is uit de Werkgroep Roofvogels Noord en Oost-Nederland de Werkgroep Roofvogels Nederland (WRN) ontstaan (Bijlsma 1994). De Werkgroep Roofvogels Zeeland (WRZ) is opgericht in november 1994 en is een onderdeel van de WRN (Castelijns 1995).

Tabel 3: Geschat aantal broedparen van roofvogels in Zeeland in 1991 (Vergeer & Van Zuijlen 1994), 1995-1996, 2002 en 2008 (RWG Zeeland).Tabel 3: Geschat aantal broedparen van roofvogels in Zeeland in 1991 (Vergeer & Van Zuijlen 1994), 1995-1996, 2002 en 2008 (RWG Zeeland).Hoewel de WRZ ook in de winter onderzoek aan roofvogels doet, bijvoorbeeld slaapplaatstellingen van Blauwe en Bruine Kiekendieven, onderzoek naar de verspreiding en het voedsel van Slechtvalken en winterkarteringen van Buizerds en Torenvalken (nieuwsbrieven en jaarverslagen op http://www.roofvogelszeeland.nl), vormt het onderzoek naar het broedvoorkomen de hoofdmoot. Het inventariseren van roofvogels vergt een andere aanpak dan territoriumkartering, de werkwijze die meestal voor broed-vogels wordt toegepast. Met territoriumkartering wordt het aantal broedparen van roofvogels onder-schat. Met nestkartering volgens de “Handleiding Veldonderzoek Roofvogels” worden veel betere resultaten behaald (Bijlsma 1997). Een voorbeeld daarvan wordt gegeven in tabel 3. In deze tabel wordt een vergelijking gemaakt tussen schattingen door Vergeer & Van Zuijlen (1994) en schattingen na twee jaar nestkartering door de WRZ. Vergeer & Van Zuijlen baseerden zich op territoriumkarteringen die werden uitgevoerd in de periode 1983-1991. Ongeveer de helft van het oppervlak van Zeeland werd toen gekarteerd. Vervolgens hebben zij in overleg met lokale waarnemers schattingen voor het jaar 1991 gemaakt. De verschillen tussen deze schattingen en die van de WRZ voor 1995-1996 kunnen onmogelijk het gevolg zijn van een reële toename. Ze worden vooral veroorzaakt door de gevolgde werkwijze.

Drie generaties roofvogelonderzoekers. Van links naar rechts Wim Lansman, Henk Castelijns en Sanne Ploegaert. Terneuzen: 7 juni 2003. [i]Foto: Arnoud Wessel.[/i]Het onderzoek naar roofvogels gaat van waarnemen naar verklaren als er nestcontroles worden uitgevoerd. Je weet dan hoeveel eieren er worden gelegd, hoeveel jongen er worden geboren en hoeveel jongen er uitvliegen. Nog meer informatie kan worden verkregen door de conditie (gewicht), de geboortedatum (vleugellengte) en het geslacht van de jongen te bepalen, de jongen van een ring te voorzien en bij nesten prooien te verzamelen. Met zulke gegevens zijn de toe- en afname van het aantal broedparen van een soort te verklaren en ontstaat een beeld van het dispersie- en het trekgedrag naar geslacht.

In de periode vanaf 1995 heeft de WRZ een schat aan gegevens verzameld. Al die gegevens zijn opgeslagen in een database. Bovendien zijn alle originele resultaten, zoals nestkaarten, rapporten etc. er ook nog. De resultaten worden ingebracht in een landelijke monitoringsprogramma van SOVON/WRN. Jaarlijks wordt zowel landelijk (Bijlsma & De Vries 1996, Bijlsma 1997-2009 in serie) als provinciaal (Castelijns 1996-2008 in serie ) over de voortgang gerapporteerd. Wat betreft Zeeland is het uiteindelijk de bedoeling dat alles wordt samengevat in een degelijke publicatie over roofvogels in Zeeland, bijvoorbeeld na 20 jaar monitoring.

Behalve de leden van de WRZ hebben ook de Zeeuwse roofvogels bepaald niet stil gezeten. De populatie is sinds 1995 met zeker een kwart toegenomen en de soortsamenstelling is sterk veranderd (tabel 3, figuur 22). Zo is het aantal broedparen van de Bruine Kiekendief de laatste jaren behoorlijk afgenomen en zijn Buizerd en Havik bezig aan een ongekende opmars. De Havik is een echte krachtpatser met eenden, duiven en kraaiachtigen op het menu (Van ’t Hof 2007, Castelijns 2005 , 2007, 2008 en Hoofdtsuk 8.2). De aanwezigheid van deze soort zal daardoor van grote invloed zijn op de Zeeuwse broedvogelbevolking. Populaties van bij veel Zeeuwen niet zo populaire soorten zoals Zwarte Kraai, Kauw, Ekster, Hout- en Holenduif zullen (drastisch) afnemen. Maar er zal ook met een beschuldigende vinger naar de Havik worden gewezen, omdat mede door zijn aanwezigheid het de weidevogels en de kustbroedvogels minder goed zal vergaan. Met de toename van het aantal kraaiachtigen en de vestiging van de Vos in Zeeland ging het al net zo. Maar de oorzaak van al die veranderingen zijn niet de Havik, de Vos, de Zwarte Kraai etc, maar wij mensen. Door inpolderingen en aanleg van dammen zijn er geen Zeeuwse eilanden meer. Vossen hebben zich daardoor overal in Zeeland kunnen vestigen. Voormalige getijdengebieden heten tegenwoordig Veerse Meer, Grevelingenmeer, Markiezaats-Zoommeer en Krammer-Volkerakmeer. De moerasbossen die zich daar op eilanden en op de oevers hebben ontwikkeld, zijn bolwerken voor de Havik geworden (hoofdstuk 8.2). Ook binnendijks is het landschap sterk veranderd. Het meest in het oog springend, is het verdwijnen van het open landschap. Zo nam bijvoorbeeld in het 8000 ha grote Midden Zeeuws-Vlaanderen het bosareaal toe van hooguit enkele hectaren in het midden van de jaren vijftig, tot circa 160 ha op het eind van de jaren tachtig en 240 ha in 2003. Ook de hoeveelheid beplanting op dijken en rondom bedrijventerreinen nam toe; sinds het eind van de jaren tachtig met zeker 30% (HC). Op veel andere plaatsen in Zeeland is het niet anders gegaan. Denk bijvoorbeeld aan de Schelphoek, de Ouwerkerkse Kreken, de Pluimpot, Fort Rammekens, het Bokkegat, het Poelbos, Den Inkel, het Oudemansbos bij IJzendijke, de Opspuiting Axel etc. Zeeland gaat daardoor steeds meer op de rest van Nederland lijken, en de Zeeuwse avifauna doet dat ook. Naar verwachting zal de komende jaren de stand van boombroedende roofvogels zoals Buizerd en Havik verder toenemen, terwijl die van de Bruine Kiekendief verder zal afnemen

Een belangrijk bijkomend voordeel van roofvogelonderzoek zijn de extra ogen en oren van deskundige vrijwilligers in het veld. Het zijn vooral roofvogelaars die gevallen van roofvogelvervolging ontdekken en/of aan de kaak stellen (Castelijns 2004a, 2007 en 2008 ).

Figuur 22. Opbouw van de broedpopulatie van roofvogels in Zeeland in 1996 (links) en 2008 (rechts).Figuur 22. Opbouw van de broedpopulatie van roofvogels in Zeeland in 1996 (links) en 2008 (rechts).