Man Bruine Kiekendief. Noord Beveland, 1 april 2007. [i]Foto: Niels de Schipper.[/i]Man Bruine Kiekendief. Noord Beveland, 1 april 2007. Foto: Niels de Schipper.De winter en het voorjaar van 2007 waren de zachtste in 300 jaar. Hierdoor en door het goede prooiaanbod waren de roofvogels die overwinteren bij de broedplaats vroeg aan de leg: de Sperwer zeven dagen, de Buizerd circa vier dagen en de Torenvalk zelfs negen dagen eerder dan gemiddeld. De Bruine Kiekendief, die overwintert in ZW-Europa en Afrika was dan weer twee dagen later. Door de gunstige weers- en voedselomstandigheden was ook het aantal eieren bij Sperwer, Buizerd en Torenvalk hoger dan gemiddeld. De Bruine Kiekendief deed het ook wat dat betreft minder. Bij de Havik, Boomvalk en Slechtvalk was het aantal gecontroleerde nesten te gering om vergelijkingen met eerdere jaren te kunnen maken.

Omdat het weer vanaf de tweede week van mei erg wisselvallig was, vielen hier en daar wat jongen uit, soms zelfs letterlijk uit het nest. Het aantal uitgevlogen jongen bij de Bruine Kiekendief, de Buizerd en waarschijnlijk ook bij de Havik was daardoor lager dan gemiddeld. De Torenvalk en de Sperwer deden het wat beter. Bij de Torenvalk komt dat omdat er vrijwel alleen paren die in nestkasten broeden worden gecontroleerd en een nestkast bij slecht weer beschutting biedt.

Sinds 1995 worden in Zeeland jaarlijks op dezelfde wijze gegevens van het aantal broedparen verzameld. Van de soorten die jaarlijks in Zeeland broeden, is de populatie van de Buizerd voortdurend in aantal toegenomen, die van de Torenvalk en de Boomvalk stabiel en die van de Bruine Kiekendief en de Sperwer is tot voorbij de eeuwwisseling toegenomen en daarna stabiel gebleven (Sperwer) en afgenomen (Bruine Kiekendief). In 1999 heeft de Havik zich als broedvogel in Zeeland gevestigd en is daarna stevig in aantal toegenomen. De soort ontbreekt nog wel in Zeeuws-Vlaanderen. Van een andere nieuwkomer, de Slechtvalk, die voor het eerst in 2001 met zekerheid in Zeeland heeft gebroed, neemt het aantal broedparen ook toe, maar een stuk langzamer dan bij de Havik. In 2007 was er ook een broedgeval van de Wespendief. Deze moeilijk vast te stellen soort, is niet jaarlijks aanwezig.

Havik en Slechtvalk zijn de krachtpatsers onder de Zeeuwse roofvogels. Hierdoor en omdat het nieuwkomers zijn, is het extra interessant onderzoek aan voedsel te doen. Bij beide soort begint dat op gang te komen. Voor de Havik zijn duiven, Spreeuwen en kraaiachtigen van groot belang en voor de Slechtvalk post-(vooral verdwaalde en eerstejaars) en wilde duiven en steltlopers. Bij de Slechtvalk waren er overigens verrassende verschillen tussen de broedplaatsen.

In 2007 zijn ‘maar’ drie bewezen gevallen van roofvogelvervolging geconstateerd. Ongetwijfeld is er meer aan de hand, maar het vaststellen van roofvogelvervolging valt niet mee en het er bij vinden van een verdachte al helemaal niet. Het gaat met golven en lijkt soms wel afgesproken werk. Zo zijn er in januari 2008 al vier gevallen gemeld. Neem bij constatering van een geval van roofvogelvervolging eerst (zo mogelijk) wat foto’s en verzamel daarna alle verdachte zaken. Stop dat bij voorkeur meteen in een vriezer en neem contact op met het Regionaal Milieuteam (0900 8844). Zij zorgen er voor dat alles wordt opgehaald en stellen een onderzoek in. Het onderzoek zelf kan even duren, maar het ophalen van de dode vogels gebeurt als regel binnen één dag.