Drie jonge Buizerds variërend in leeftijd van 5-9 dagen. Ze zijn geringd op 11 juni en hebben korte tijd daarna het nest verlaten. Koewacht Plasschaert 17 mei 2007. [i]Foto: Jeroen Castelijns.[/i]Drie jonge Buizerds variërend in leeftijd van 5-9 dagen. Ze zijn geringd op 11 juni en hebben korte tijd daarna het nest verlaten. Koewacht Plasschaert 17 mei 2007. Foto: Jeroen Castelijns.In 2007 werden de Grevelingen (gre) en het Verdronken Land van Saeftinghe (belangrijkste deel van ws) in zijn geheel op roofvogels onderzocht. Op de Bevelanden (vm, nbe, zbe en hzb) was de onderzoeksinspanning hoger dan in de voorafgaande jaren en bijna van dezelfde ordegrootte als in de topjaren 2000 en 2001. Op Schouwen-Duiveland (os, sch, dui) werd extra aandacht geschonken aan Havik en Sperwer. Wat betreft de overige soorten was de onderzoeksinspanning daar gelijk aan voorgaande jaren. Op Sint Philipsland en Tholen en in Zeeuws-Vlaanderen (phi, tho, wzv, mzv en ozv) is de onderzoeksinspanning al jaren ongeveer gelijk. Van Walcheren (wal) en het Markiezaats- en Zoommeer (mar) werden maar weinig gegevens ontvangen.

Figuur 6. Aantal in de periode 1995-2007 in Zeeland per jaar opgespoorde roofvogelbroedparenFiguur 6. Aantal in de periode 1995-2007 in Zeeland per jaar opgespoorde roofvogelbroedparenIn totaal zijn 717 broedparen geregistreerd. In 558 gevallen werd het nest gevonden (figuur 6). Het aantal broedparen wordt geschat op 1.000-1.400.

Het aantal nestkaarten was met 431 nog nooit zo hoog (figuur 7).

In bijlage 1 wordt voor elk deelgebied een schatting van het aantal broedparen gegeven.

In bijlage 2 wordt voor de periode 1995-2007 per soort een overzicht gegeven van de belangrijkste broedbiologische gegevens zoals de start van de eileg, het aantal eieren en het broedsucces. Bovendien wordt het aantal geringde jongen vermeld.

Figuur 7. Aantal in de periode 1995-2007 in Zeeland ingestuurde nestkaarten van roofvogels.Figuur 7. Aantal in de periode 1995-2007 in Zeeland ingestuurde nestkaarten van roofvogels.Uitzonderlijk laat voor broedparen waarvan het vrouwtje volwassen (+2kj) is. Voor twee andere in wintergraan broedende paren kan de eilegdatum worden geschat op basis van het tijdstip dat de jongen zijn uitgevlogen: circa 6 en circa 12 mei. Van deze paren is de leeftijd van het vrouwtje niet bekend. Hoe dan ook zo veel ‘late’ paren duidt erop dat er aan het begin van het broedseizoen veel is misgegaan.

Het gemiddelde aantal eieren per nest was met 4,8 (s=1,11, n=41) normaal en het broedsucces met 3,0 (s=1,12, n=63) wat lager dan gemiddeld. Het aantal eieren per jaar varieert weliswaar, maar er is geen trend. Het aantal uitgevlogen jongen neemt echter af (figuur 9). Het aantal eieren zegt wat over de conditie van de vogels op het moment dat ze in het broedgebied aankomen, het aantal jongen zegt wat over het broedgebied zelf.

De geslachtsverhouding tussen het aantal op het nest geringde jongen was, zoals wel vaker, in het voordeel van mannen: 58% (tabel 3).

In 2007 is in Zeeuws-Vlaanderen begonnen met het meten van het eivolume. De maat van de eieren werd genomen met een digitale schuifmaat met een nauwkeurigheid van 0,01 mm. De gemiddelde lengte van de eieren was 48,6 mm (s=2,2, n=127) en de breedte 38,0 mm (s=1,2, n=127). Het eivolume is berekend met de formule volgens Hoyt (1979): 0.51 x lengte x (2 x breedte) en bedraagt 35,9 ml (s=3,5, n=127). Overigens zijn voor het opmeten van de eieren geen extra nestbezoeken uitgevoerd. Het onderzoek maakt deel uit van een vergelijking tussen binnen- en buitendijks broedende paren. Door omstandigheden is een deel van het onderzoek in 2007 niet uitgevoerd.