Dit verslag dat gaat over broedende roofvogels in Zeeland in 2007, is het twaalfde in een reeks vanaf 1995. De jaren 2002 en 2003 zijn samengevoegd in één verslag.

2007 was een bijzonder jaar, de voedselsituatie was gunstig en de winter en het voorjaar waren uitzonderlijk zacht. In maart en april profiteerden roofvogels en roofvogelaars van het mooie weer. Ze namen een vliegende start. Maar het bleef niet mooi. Vanaf begin mei tot eind juli verstierde het erg wisselvallige weer een deel van de pret. Het aantal jongen uitgevlogen jongen viel daardoor wat tegen en het controle- en ringwerk aan de jongen moest tussen de buien door.

De cursus roofvogelnestkartering in 2006 in Goes heeft een enthousiaste groep opgeleverd die ook in 2007 veel werk heeft verzet. Overigens is ook in de andere regio’s hard gewerkt. Dat blijkt onder andere uit het aantal nestkaarten, dat nog nooit zo hoog was. De enige regio waar het al jaren tobben is, is Walcheren. Een cursus zoals in Goes zou daar verandering in kunnen brengen. Cursussen zijn belangrijk om het aantal medewerkers op peil te houden en om de kwaliteit van het werk te garanderen (box 1). Dankzij al die vrijwilligers is er weer een berg aan gegevens verzameld. In dit verslag is een belangrijk deel daarvan samengevat. Het zit vol met foto’s, grafieken en tabellen. Er is voor ieder wat wils.

Philippine 7 februari 2008, Henk Castelijns.

Box 1: Roofvogelaars weten waarmee ze bezig zijn
Roofvogelaars krijgen wel eens te horen dat door hun onderzoek broedgevallen zouden mislukken en jonge roofvogels tijdens het meten en ringen veel (onnodige) stress zouden oplopen. Sommigen zeggen dat omdat ze liever geen roofvogelaars in het veld zien en anderen omdat ze zich nooit in de materie hebben verdiept. Roofvogelaars doen alles om verstoring tegen te gaan. Ze werken volgens de ‘Handleiding Veldonderzoek Roofvogels’, een uitgave van Vogelbescherming en de Werkgroep Roofvogels Nederland, waarin duidelijk staat beschreven hoe te handelen. Bovendien hebben de meeste roofvogelaars een cursus roofvogel-nestkartering gevolgd en zijn ringers verplicht regelmatig een certificeringbijeenkomst van het Vogel-trekstation bij te wonen.

Wat betreft de Bruine Kiekendief, die omdat hij op de grond broedt kwetsbaarder is dan de boombroedende soorten, is een speciaal op de Zeeuwse situatie toegeschreven protocol opgesteld. Hierin staat hoe je een nest opspoort, er naar toe behoort te gaan en hoe je voorkomt dat andere mensen en dieren jouw spoor vinden. Het protocol is vertrouwelijk en alleen maar in bezit van degene die nestonderzoek aan Bruine Kiekendieven doen. Het gaat om een select groepje kenners. Deelnemers aan cursussen roofvogelnestkartering wordt ten strengste afgeraden naar nesten van Bruine Kiekendieven te gaan. Bezoeken aan nesten van Bruine Kiekendieven worden zorgvuldig gepland. In veel gevallen volstaan twee bezoeken; één als het legsel compleet is (meestal eerste helft mei) en één als de jongen drie tot vier weken oud zijn (meestal tweede helft juni). Een derde bezoek is alleen nodig als tijdens het tweede bezoek blijkt dat de jongen nog te klein zijn om te meten en te ringen.