Peter Heetesonne toont een jonge Bruine Kiekendief aan de kinderen Govaert. Normaal worden kiekendieven op het nest geringd. Alleen bij uitzondering, zoals voor dit educatieve doel, worden ze van het nest gehaald. Het nest bevindt zich aan de rand van een boomgaard op nog geen 200 m van huize Govaert. Het is een wat atypische plaats, maar het nest is vrijwel jaarlijks succesvol. Breskens 15 juli 2006. [i]Foto: Henk Castelijns.[/i]Peter Heetesonne toont een jonge Bruine Kiekendief aan de kinderen Govaert. Normaal worden kiekendieven op het nest geringd. Alleen bij uitzondering, zoals voor dit educatieve doel, worden ze van het nest gehaald. Het nest bevindt zich aan de rand van een boomgaard op nog geen 200 m van huize Govaert. Het is een wat atypische plaats, maar het nest is vrijwel jaarlijks succesvol. Breskens 15 juli 2006. Foto: Henk Castelijns.In 2007 werden 185 broedparen opgespoord, waarvan in 153 gevallen sprake was van een nest (zie werkwijze). De Zeeuwse populatie wordt geschat op 205-265 paren. Dat is vrijwel gelijk aan de schattingen voor 2003-2006, maar een stuk lager dan in 2000-2002 (figuur 8). In het Verdronken Land van Saeftinghe werden 36 broedparen vastgesteld (Van Kerkoven 2007). Saeftinghe is circa 35 km2 groot: 12 km2 slik en 23 km2 schor. Het is het enige gebied in Zeeland waar de Bruine Kiekendief nog in aantal toeneemt: 17 paren in 1997 en 26 paren in 2004. Elders gaat de soort overal achteruit. Opvallend was het broeden van minimaal vijf paren in wintergraan in de omgeving van Oostburg (wzv) (box 2).

In 2007 begonnen Bruine Kiekendieven gemiddeld op 23 april met de eileg, dat is twee dagen later dan gemiddeld (n=40). De Bruine Kiekendief overwintert in ZW Europa en Afrika

(Cramp & Simmons 1980). In tegenstelling met lokaal overwinterende soorten zoals Sperwer, Buizerd en Torenvalk, is een zachte winter niet van invloed op de conditie van Bruine Kiekendieven. Zodra ze half maart uit de overwinteringgebieden arriveren, beginnen ze meteen met de balts en het bouwen van een nest. Dat neemt 1-4 weken in beslag (bijlage 3).

Box 2. Waarom broeden Bruine Kiekendieven in wintergraan als er zo veel riet is?
In 2007 hebben in West Zeeuws-Vlaanderen in de omgeving van Oostburg, Schoondijke en Groede minimaal vijf paren van de Bruine Kiekendief in wintergraan gebroed. Het broeden in landbouwgewas is in Zeeland bijzonder. Voor wat betreft de periode 1995-2006 zijn slechts vijf gevallen bekend: tweemaal in wintergraan en driemaal in luzerne (n=1.120). In genoemde omgeving bevinden zich drie kreken met grote rietvelden: de Zwartegatsekreek, de Reep en het Grote Gat. In 2007 was daar geen enkel (succesvol) paar aanwezig, terwijl in 2000 2002 deze kreken nog goed waren voor 10 12 paren. Sinds een aantal jaren worden in deze rietvelden tot in de eerste week van april zo veel mogelijk ganzeneieren geprikt (Oosterbaan 2004, FBE 2007). Dit wordt gedaan om de ganzenpopulatie in te perken. De periode waarin dat gebeurt, is precies het moment dat de Bruine Kiekendief moet beslissen of een bepaald gebied veilig is om er te broeden of niet. Kennelijk schort het daar aan. Er wordt in elk geval niet meer in rietvelden gebroed, maar nog wel in graanvelden. Of het een met het ander te maken heeft, is niet wetenschappelijk aan te tonen. Het tegendeel al helemaal niet! Daarom zou je mogen verwachten dat er wordt uitgegaan van het voorzorgsprincipe. De Provincie Zeeland zou daarom geen vergunning voor het prikken van ganzeneieren mogen verlenen. Zeker als uit onderzoek is gebleken dat om de stand van ganzen in te perken, ingrijpen in de overleving effectiever is dan in de reproductie (van de Jeugd et al. 2006).

In 2007 is een opvallend aantal broedparen laat met de leg begonnen: 16 van de 40 op 28 april of later, terwijl 1 op 10 normaal is (bijlage 2). In zeker vijf gevallen ging het om een vervolglegsel en in een aantal gevallen wordt dat vermoed. Hieronder waren er twee in wintergraan. Op basis van de vleugellengte kon worden berekend dat deze paren met de eileg waren gestart op 16 mei en 1 juni. Dat is uitzonderlijk laat voor broedparen waarvan het vrouwtje volwassen (+2kj) is. Voor twee andere in wintergraan broedende paren kan de eilegdatum worden geschat op basis van het tijdstip dat de jongen zijn uitgevlogen: circa 6 en circa 12 mei. Van deze paren is de leeftijd van het vrouwtje niet bekend. Hoe dan ook zo veel ‘late’ paren duiden erop dat er aan het begin van het broedseizoen veel is misgegaan.

Het gemiddelde aantal eieren per nest was met 4,8 (s=1,11, n=41) normaal en het broedsucces met 3,0 (s=1,12, n=63) wat lager dan gemiddeld. Het aantal eieren per jaar varieert weliswaar, maar er is geen trend. Het aantal uitgevlogen jongen neemt echter af (figuur 9). Het aantal eieren zegt wat over de conditie van de vogels op het moment dat ze in het broedgebied aankomen, het aantal jongen zegt wat over het broedgebied zelf.

De geslachtsverhouding tussen het aantal op het nest geringde jongen was, zoals wel vaker, in het voordeel van mannen: 58% Figuur 8. Aantalsverloop van het aantal broedparen van de Bruine Kiekendief in Zeeland in de periode 1995-2007.Figuur 8. Aantalsverloop van het aantal broedparen van de Bruine Kiekendief in Zeeland in de periode 1995-2007.(tabel 3).

In 2007 is in Zeeuws-Vlaanderen begonnen met het meten van het eivolume. De maat van de eieren werd genomen met een digitale schuifmaat met een nauwkeurigheid van 0,01 mm. De gemiddelde lengte van de eieren was 48,6 mm (s=2,2, n=127) en de breedte 38,0 mm (s=1,2, n=127). Het eivolume is berekend met de formule volgens Hoyt (1979): 0.51 x lengte x (2 x breedte) en bedraagt 35,9 ml (s=3,5, n=127). Overigens zijn voor het opmeten van de eieren geen extra nestbezoeken uitgevoerd. Het onderzoek maakt deel uit van een vergelijking tussen binnen- en buitendijks broedende paren. Door omstandigheden is een deel van het onderzoek in 2007 niet uitgevoerd.


Figuur 9. Trend van het aantal eieren en het aantal uitgevlogen jongen bij de Bruine Kiekendief in Zeeland in de periode 1996-2007. Het eerste onderzoeksjaar (1995) is als uitbijter beschouwd.Figuur 9. Trend van het aantal eieren en het aantal uitgevlogen jongen bij de Bruine Kiekendief in Zeeland in de periode 1996-2007. Het eerste onderzoeksjaar (1995) is als uitbijter beschouwd.Tabel 3. Geslachtsverhouding van jonge op het nest geringde Bruine Kiekendieven in Zeeland in de periode 1995-2007.Tabel 3. Geslachtsverhouding van jonge op het nest geringde Bruine Kiekendieven in Zeeland in de periode 1995-2007.