Sinds 1995 worden in Zeeland systematisch resultaten van broedende (nestvondsten) en territoriumhoudende roofvogels (broedparen) verzameld. Bij ontvangst van de resultaten worden ze gecontroleerd op volledigheid en eventuele onduidelijkheden. Zo nodig wordt bij de waarnemers navraag gedaan. Vervolgens worden de gegevens opgeslagen in een database waarbij ze worden getoetst aan vaste criteria. De meeste daarvan zijn te vinden in de ‘Handleiding veldonderzoek roofvogels’ (Bijlsma 1997).

Bij broedvogelonderzoek wordt onderscheid gemaakt tussen een nestvondst en een territorium. Bij een nestvondst gaat het om een zeker broedgeval en bij een territorium om een paar dat gedurende enige tijd aanwezig is in een geschikt broedgebied, maar waarvan broeden niet is bewezen, omdat het nest niet werd gezocht (meestal) of gevonden (soms). Bij de Bruine Kiekendief zijn nestbouw, landingen met prooi op het (niet zichtbare) nest en uitvliegende jongen als nestvondst aangemerkt.

Het broedsucces is berekend met behulp van het aantal uitgevlogen jongen per geslaagd broedgeval. Er zijn alleen resultaten gebruikt van nesten waar daadwerkelijk in werd gekeken of van nesten waarvan het aantal jongen werd bepaald door langdurige observatie.

Jongen worden als uitgevlogen beschouwd als ze bij de laatste controle bijna volgroeid en bovendien in goede conditie waren (code N6 op nestkaart), op het punt van uitvliegen stonden (code N7 op nestkaart), nabij het nest zijn gezien (code N9, N10 of N11 op nestkaart) of als door een nacontrole werd vastgesteld dat het nest leeg was en er geen resten van dode jongen aanwezig waren (code C1, C2 en C3 op nestkaart).

Het onderzoek naar broedende roofvogels in Zeeland is niet gebiedsdekkend. Daarom worden in dit verslag behalve het aantal opgespoorde broedparen ook aantalsschattingen gegeven. Daarbij wordt gebruik gemaakt van het gegeven dat een eenmaal ingenomen territorium vaak jaren achtereen bezet is.

Driemaal dezelfde resten van een Meerkoet nabij de radartoren Saeftinghe. Gefotografeerd van links naar rechts op 21 januari 2006, 18 februari 2006 en 18 maart 2006 zonder vooraf iets te beroeren! In de winter, bij lage temperaturen, kunnen prooiresten erg lang blijven liggen. Vooral op een geïsoleerde locatie zoals de radartoren, waar met uitzondering van een Slechtvalk maar weinig vogels en al helemaal geen mensen komen. [i]Foto’s: Henk Castelijns.[/i]Driemaal dezelfde resten van een Meerkoet nabij de radartoren Saeftinghe. Gefotografeerd van links naar rechts op 21 januari 2006, 18 februari 2006 en 18 maart 2006 zonder vooraf iets te beroeren! In de winter, bij lage temperaturen, kunnen prooiresten erg lang blijven liggen. Vooral op een geïsoleerde locatie zoals de radartoren, waar met uitzondering van een Slechtvalk maar weinig vogels en al helemaal geen mensen komen. Foto’s: Henk Castelijns.