Figuur 5: Aantalsverloop van de Bruine Kiekendief in Zeeland in de periode 1995-2006Figuur 5: Aantalsverloop van de Bruine Kiekendief in Zeeland in de periode 1995-2006In 2006 werden 163 broedparen opgespoord, waarvan in 149 gevallen sprake was van een nest (zie werkwijze). Het aantal broedparen wordt voor 2006 geschat op 195-255. Dat is ongeveer gelijk aan 2005, maar ten opzichte van 2000-2002 een forse achteruitgang (figuur 5). Zie voor oorzaken het vorige jaarverslag (Castelijns 2006).

In 2006 was de gemiddelde start van de eileg in Zeeland met 22 april vrijwel normaal (n=38). Ook het aantal eieren was met 4,7 gemiddeld (s=1,5, n=28). Het aantal grote legsels (zes of meer) was met 28% hoger dan gemiddeld. Dat is Vleugelstrekkend mannetje Bruine Kiekendief gefotografeerd op zijn uitkijkpost nabij een nest in de Van Wyckhuisepolder (mzv). Afgaande op de donkerbruine borst, het zilvergrijs in de vleugels en de tijd van het jaar, gaat het vermoedelijk om een 3kj vogel. [i]Foto: Ludo Goossens.[/i]Vleugelstrekkend mannetje Bruine Kiekendief gefotografeerd op zijn uitkijkpost nabij een nest in de Van Wyckhuisepolder (mzv). Afgaande op de donkerbruine borst, het zilvergrijs in de vleugels en de tijd van het jaar, gaat het vermoedelijk om een 3kj vogel. Foto: Ludo Goossens.een aanwijzing dat het, in ieder geval in het begin van het broedseizoen, met de beschikbaarheid van voedsel wel goed zat. Dit terwijl de muizen- en de Hazenstand laag waren en bij de Konijnenstand sprake was van enig herstel. Mogelijk dat de gunstige weersomstandigheden, weinig regen, het jachtsucces hebben vergroot. Soms denk je het te weten, maar bij meer onderzoek ontstaan alleen maar meer twijfels!

Het broedsucces was met 2,7 uitgevlogen jongen per nest laag (s=0,9, n=51). Het aantal succesvolle paren was daarentegen redelijk. Van de in Zeeuws-Vlaanderen tijdens de eifase gecontroleerde nesten mislukte 1 op 3. Dat was ook in 2005 het geval terwijl Met prooi naar het nest vliegend mannetje Bruine Kiekendief. Voorjaar 2006. [i]Foto: Niels de Schipper.[/i]Met prooi naar het nest vliegend mannetje Bruine Kiekendief. Voorjaar 2006. Foto: Niels de Schipper.in de topjaren 2002 en 2004 respectievelijk 1 op 9 en minder dan 1 op 10 mislukte in het topjaar 2003 mislukte zowat de helft.

In 2006 was het mannenoverschot nog groter dan in 2005 (tabel 2). Het waarom van het overschot is niet duidelijk. De veronderstelling in het vorige verslag dat het met de voedselsituatie van doen heeft, lijkt niet juist. In zowel 2003 als 2006 was de voedselsituatie slecht, terwijl in het ene jaar het aandeel mannen met 48% laag was en in het andere juist hoog.

De Bruine Kiekendief heeft een sterke voorkeur voor broeden in Riet. Van de 942 binnendijkse broedgevallen (inclusief deTabel 2. Sexratio van jonge op het nest geringde Bruine Kiekendieven in Zeeland in de periode 1995-2006. ten gevolge van de Deltawerken afgedamde getijdengebieden), vonden er 921 plaats in Riet, 16 in een ruigte met Duindoorn, braam of brandnetels en vijf in akkergewassen (drie luzerne, twee graan). Ook buitendijks wordt Riet geprefereerd: 113 keer Riet versus 9 Zeebies. Mogelijk is dit een onderschatting omdat een onderzoeker zich bij het zoeken naar een nest, vooral focust op Riet en minder op andere vegetatie. Van de Zeeuwse Kiekendieven broedt circa 15% buitendijks. Met 30-33 paren is het Verdronken Land van Saeftinghe hét bolwerk voor deze soort en bovendien het enige gebied waar de soort niet achteruitgaat (bijlage 1 en Castelijns 2006).

De gemiddelde nesthoogte bedraagt 43 cm (s=18, n=387,variatie 5-130). Op binnendijkse nestplaatsen stond in 166 op de 257 gevallen 3 cm of meer water onder het nest. De gemiddelde waterhoogte was 12 cm (s=10, n=166, maximum 70 cm).