Sperwerman (+2kj) etend van een Turkse Tortel (Streptopelia decaocto) op een parkeerplaats. Sperwermannetjes wegen ± 150 gram en Turkse Tortels ± 200 gram. Door het gewicht van de prooi was de Sperwer gedwongen de prooi ter plaatse op te eten. Met moeite lukte het hem de prooi een paar meter te verslepen. Toen vervolgens een man met hond passeerde bleef hij op de prooi zitten. Goes 10 maart 2006. [i]Foto: Niek Oele.[/i]Sinds 1995 worden in Zeeland systematisch resultaten van broedende en territoriumhoudende roofvogels verzameld. De eerste twee onderzoeksjaren was geen deugdelijke instructie voorhanden. In februari 1997 verscheen de ‘Handleiding veldonderzoek roofvogels’ (Bijlsma 1997). Hoewel niet alle waarnemers van de inhoud van deze handleiding op de hoogte zijn, worden de door hen verzamelde waarnemingen wel aan de in de handleiding genoemde criteria getoetst.

Bij broedvogelonderzoek wordt onderscheid gemaakt tussen een nestvondst en een territorium. Bij een nestvondst gaat het om een zeker broedgeval en bij een territorium om een paar dat gedurende enige tijd aanwezig is in een geschikt broedgebied, maar waarvan broeden niet is bewezen, omdat het nest niet werd gezocht (meestal) of gevonden (soms). Bij de Bruine Kiekendief zijn nestbouw, landingen met prooi op het (niet zichtbare) nest en uitvliegende jongen als nestvondst aangemerkt.

Het broedsucces is berekend met behulp van het aantal uitgevlogen jongen per geslaagd broedgeval. Er zijn alleen resultaten gebruikt van nesten waar daadwerkelijk in werd gekeken of van nesten waarvan het aantal jongen werd bepaald door langdurige observatie.

Jongen zijn als uitgevlogen beschouwd als ze bij de laatste controle bijna volgroeid en bovendien in goede conditie waren (code N6 op nestkaart), op het punt van uitvliegen stonden (code N7 op nestkaart), nabij het nest zijn gezien (code N9, N10 of N11 op nestkaart) of als door een nacontrole werd vastgesteld dat het nest leeg was (code C1, C2 en C3 op nestkaart).

Het onderzoek naar broedende roofvogels in Zeeland is niet gebiedsdekkend. Daarom worden in dit verslag behalve het aantal opgespoorde broedparen ook aantalsschattingen gegeven. Daarbij wordt gebruik gemaakt van het gegeven dat een eenmaal ingenomen territorium vaak jaren achtereen bezet is.

In 2005 verscheen in de Takkeling een publicatie over broedende roofvogels op Noord- en Zuid-Beveland met de nadruk op aantallen (Rozemeijer 2005). Voor zover mogelijk zijn deze gegevens in dit verslag verwerkt. Vanwege deze publicatie en andere nagekomen gegevens kunnen de aantallen en de aantalsschattingen verschillen ten opzichte van eerdere publicaties.

In dit verslag ligt de nadruk op de trend van het aantal in Zeeland broedende roofvogels in de periode 1995-2005. Tevens wordt een kijkje in de toekomst gegeven. Bovendien worden de aantallen vergeleken met die van de rest van Nederland