Figuur 11. Aantalsverloop van de Torenvalk in Zeeland in 1995-2005.Figuur 11. Aantalsverloop van de Torenvalk in Zeeland in 1995-2005.In 2005 werden 131 nesten en in totaal 157 broedparen opgespoord. Van 128 nesten is de broedplaats bekend: 104 keer werd gebroed in een nestkast, één keer in een oud buizerdnest, acht keer in een oud Eksternest, eveneens acht keer in een oud nest van een Zwarte Kraai, vier keer in een nis bij een gebouw en drie keer in een oud nest waarvan de oorspronkelijk bouwer niet bekend is.

Jaarlijkse variaties daargelaten is het aantal broedparen van de Torenvalk de laatste elf jaren stabiel: 400-550 paren (figuur 11). Om te kunnen jagen hebben Torenvalken wind nodig, daarom zijn het vogels van open terrein. In Het ringen van Torenvalkjongen is een gezellige en bovendien leerzame aangelegenheid. Derde van rechts zittend ringer Adrie Joosse en tegenover hem eveneens zittend en met het witte overhemd en opgestroopte mouwen roofvogelaar Ad Polderman. Zij zijn omringd door cursisten van de Roofvogelcursrus Tholen. Tholen voorjaar 2004. [i]Foto: Cees Luijsterburg.[/i]Het ringen van Torenvalkjongen is een gezellige en bovendien leerzame aangelegenheid. Derde van rechts zittend ringer Adrie Joosse en tegenover hem eveneens zittend en met het witte overhemd en opgestroopte mouwen roofvogelaar Ad Polderman. Zij zijn omringd door cursisten van de Roofvogelcursrus Tholen. Tholen voorjaar 2004. Foto: Cees Luijsterburg. Zeeland broeden dan ook naar verhouding met de rest van Nederland veel Torenvalken. De gemiddelde dichtheid bedraagt respectievelijk 0,16 en 0,28 paar/km2 (bijlage 4). In Zeeland broedt 9 % van de Nederlandse populatie. De Torenvalk maakt in Zeeland erg vaak gebruik van nestkasten. Die zijn vooral te vinden in boomgaarden. Zodra een boomgaard verdwijnt, verdwijnt vaak ook de nestkast. De toekomst van de Torenvalk ligt daarom in handen van de Zeeuwse fruittelers. Zolang zij nestkasten blijven plaatsen en de Torenvalk een warm hart toedragen, zal het de Torenvalk voor de wind gaan.

De gemiddelde start van de eileg was met 25 april een paar dagen vroeger dan normaal. Het aantal eieren en het aantal uitgevlogen jongen waren met achtereenvolgens 4,9 (s=0,8 n=75) en 3,8 (s=1,1 n=80) vrijwel normaal. Zie ook figuur 3.