Figuur 9. Aantalsverloop van de Sperwer in Zeeland in 1995-2005.Figuur 9. Aantalsverloop van de Sperwer in Zeeland in 1995-2005.In 2005 werden 47 nesten gevonden. In totaal werden 69 broedparen vastgesteld. Ofschoon de onzeker­heids­marge groot is, lijkt het aantal broedparen zich sinds 2000 te stabiliseren op 200-275 (figuur 9). In Zeeland broedt bijna 6% van de Nederlandse populatie. Dat is een gemiddeld aantal (bijlage 4).

De start van de eileg was met 27 april gemiddeld (n=13). In 2005 waren de Sperwerlegsels met 4,6 een fractie groter dan gemiddeld (s=1,0 n=15). Uit 27 nesten vlogen gemiddeld 3,4 jongen uit (s=0,7). Een heel normaal aantal voor Zeeuwse Sperwers.

Van de 37 gevonden nesten mislukten er slechts 7 (16%). Voor Sperwers is dat bijzonder weinig. In 1995-2005 mislukten in Zeeland gemiddeld 26% van de Sperwerlegsels (n=236). In werke­lijkheid zullen beide percentages een stuk hoger liggen. De kans op het vinden van een mislukt Sperwernest is nu eenmaal veel kleiner dan de kans dat een gelukt nest wordt gevonden. In de Braakmanpolder (mzv) waar steeds op dezelfde intensieve Als Sperwerjongen na het ringen op het nest worden teruggezet, is het in het begin nog een zootje. Ze klemmen zich vast aan een tak en gaan zo ver als mogelijk van de nestcontroleur vandaan. Ze hangen daarbij op en over elkaar en houden de nestcontroleur scherp in de gaten. Zodra de nestcontroleur is verdwenen, zoeken ze een plaats aan de rand van het nest op. Kleine jongen vertonen dit gedrag niet en kruipen tegen elkaar aan. Nesten waarop jongen zijn geringd, behoren te worden nagecontroleerd. In dit geval waren op 21 juli alle jongen uitgevlogen. Aan de hand van de karakteristieke klagende roep, konden in de omgeving van het nest nog twee jongen worden getraceerd. Begraafplaats Sas van Gent 25 juni 2005. [i]Foto: Jeroen Castelijns.[/i]Als Sperwerjongen na het ringen op het nest worden teruggezet, is het in het begin nog een zootje. Ze klemmen zich vast aan een tak en gaan zo ver als mogelijk van de nestcontroleur vandaan. Ze hangen daarbij op en over elkaar en houden de nestcontroleur scherp in de gaten. Zodra de nestcontroleur is verdwenen, zoeken ze een plaats aan de rand van het nest op. Kleine jongen vertonen dit gedrag niet en kruipen tegen elkaar aan. Nesten waarop jongen zijn geringd, behoren te worden nagecontroleerd. In dit geval waren op 21 juli alle jongen uitgevlogen. Aan de hand van de karakteristieke klagende roep, konden in de omgeving van het nest nog twee jongen worden getraceerd. Begraafplaats Sas van Gent 25 juni 2005. Foto: Jeroen Castelijns.wijze naar Sperwer­nesten wordt gezocht, bedraagt het misluk­kings­percentage voor die­zelfde periode 39 % (n=64). Dat komt aardig overeen met een van de grondigste studies naar de Sperwer ooit. Newton (1986) kwam voor Engeland en Schotland voor de periode 1971-1984 uit op 44 %. Mis­lukkingen bij Sperwers zijn dus heel normaal en hebben op het huidige niveau geen enkele invloed op de populatie. Dat kan echter veranderen zodra de Havik als predator zijn invloed doet gelden. Tot nu toe zijn de meeste mislukkingen bij de Sperwer een gevolg van desertie en predatie van eieren of kleine jongen door kraaiachtigen. Haviken hebben het vooral gemunt op grote jongen en de ouders. Voorlopig zal het nog wel loslopen. De Havikstand is laag en de Haviken die er zijn hebben hun klauwen meer dan vol aan de in groot aantal in Zeeland voorkomende watervogels, duiven en kraaiachtigen. Pas zodra die voedselbron uitgeput raakt, kan de Sperwerstand onder druk komen (Bijlsma et al. 2000, Van Diermen 2002).